Er waait een nieuwe waan door ons land: de windmolenwaan

Natuurlijk willen we schoon water en schone lucht. En natuurlijk willen we dat die mythische ozonlaag geen gatenkaas wordt. Maar een rij windmolens bij de zee plaatsen en daarmee ons zicht verstoren op de enige horizon die we nog hebben? Een slecht plan.

Vliegend boven Nederland zie ik zuiver wiskundige vormen. Een dorp. Rechthoekige velden. Een kanaal. Veel autowegen. Alweer het volgende dorp, met erg veel uitwaaierende nieuwbouw. En dat is dan mijn met een liniaal geconstrueerde vaderland. Maar sta je op de grond, dan blijken er, als door een wonder, nog wel wat aardige stukken te zijn. Een polder met rijen bomen. Of een rij duinen met wat bos. En bovenal is er de zee. Deze vergezichten zijn gespaard gebleven; en het zijn onze allerlaatste illusies van ruimte.

Die laatste illusies zullen ons binnenkort worden ontnomen, want er raast een nieuwe waan door de polder: de windmolenwaan.

Ik heb een hekel aan windmolens. En daarmee kom ik innerlijk in conflict. Want windmolens worden geacht het goede te vertegenwoordigen. Groene stroom! Het einde van de kerncentrale! Organisaties als Greenpeace verkondigen dit in verneukeratieve reclamespotjes en advertenties. We zien een mooi meisje op de voorgrond staan, met haar enkels in een plas schoon water; op de achtergrond een rij van die nieuwe molens, alles stralend in de zon. Natuurlijk wil ik schoon water en schone lucht, natuurlijk wil ik dat die mythische ozonlaag geen gatenkaas wordt. Maar van die rij op de achtergrond word ik boos. Want hier wordt de lelijkheid gepropageerd.

Lelijkheid is niet iets wat op de politieke agenda staat. Lelijkheid is iets wat men te verwaarlozen vindt. Lelijkheid is blijkbaar iets wat je op de koop toe moet nemen. En dit wekt mijn grenzeloze woede. Want lelijkheid, of benauwenis, heeft wel degelijk gevolgen.

We staan steeds minder in contact met onze natuurlijke omgeving: kinderen, zo wordt beweerd, weten niks meer van de natuur. Ze kunnen geen pimpel- van een koolmees onderscheiden en hebben ,,geen idee meer waar de melk vandaan komt'' (koeienmelk is ook geen natuur, maar vooruit). Nederlanders worden, net als Amerikanen, steeds zwaarlijviger. Ze kijken veel te veel tv en bewegen zich te weinig. Veel zangvogels kunnen geen partner meer vinden, omdat hun ,,zang niet meer wordt gehoord'' in het omringende lawaai. Sommige soorten inheemse bloemen groeien alleen nog maar in wegbermen; en zelfs daar lopen ze het gevaar uit te sterven, omdat de bermen telkens weer worden gemaaid (Nederlanders hebben graag ,,alles keurig''). Langs grote snelwegen worden glazen wanden aangelegd als geluidswering; deze wanden vormen ware massagraven voor vogels die zich hier te pletter vliegen. De damherten in de waterleidingduinen werden bijna (deels) afgeschoten, omdat ze ,,een gevaar voor het verkeer vormden''. Enzovoort.

Ik kan zo nog eindeloos doorgaan, maar deze voorbeelden zijn eigenlijk heel vervelend. Ik zou ze liever niet geven, maar het is nodig, want het zijn stuk voor stuk voorbeelden van vervreemding. Als volk vervreemden we voortdurend verder van de weilanden, van de bossen, van het water en vooral van de ruimte. En dit heeft wel degelijk invloed op ons denken.

Dit was – gedurende enkele weken – een hete zomer. En onmiddellijk waren de wegen naar het strand verstopt, onmiddellijk zat jong en oud aan zee. Erg begrijpelijk, al die mensen die de benauwdheid van hun Vinex-wijk, van hun flatje, van hun uniforme straat even wilden ontvluchten.

Al die mensen ervoeren, ondanks de massa's waartussen ze zich bevonden, op die dagen even iets van ruimte, van een onbedorven horizon in de verte – en dus eigenlijk iets van vrijheid.

De zee is, nogmaals, het laatste, werkelijk oneindige, Nederlandse landschap. De zee is leegte, en die leegte biedt gelegenheid tot dagdromen. En daarmee een belofte; de belofte van verrassing. Dit gegeven, die zee, als allerlaatste plek voor een ervaring van vrijheid, wordt nu ernstig bedreigd; men wil er lange rijen windmolens gaan plaatsen. Mocht dit doorgaan, dan zullen wij geen lege horizon meer over hebben. We zullen dan geen zee meer zien, maar enkel een rij draaiende rotorbladen in de verte; een industrieterrein. De lelijkheid zal dan gewonnen hebben, en het is niet moeilijk te voorspellen: het zal naargeestig zijn om daarnaast te vertoeven.

Want windmolens maken het landschap benauwd. Ze zijn reusachtig, zo idioot hoog. En alles wat zich er verder onder bevindt – bomen, kerkjes, huizen, weilanden – wordt geridiculiseerd. Verkleind. Zet een windmolen naast een kerk of een boom, en de windmolen wint. Je ziet niets anders meer.

Het is kwalijk dat politici dan met vergelijkingen komen met vroeger: Nederland, beweren ze pompeus, was altijd al een land van windmolens. Hoe kun je zoiets zeggen, vraag ik me af. Hoe durf je te beweren dat die witte monstruositeiten zo ongeveer hetzelfde zijn als die veel bescheidener molens van vroeger? En wat eigenlijk nog belangrijker is: Nederland was zoveel leger toen.

Waarmee een dergelijke vergelijking niets minder wordt dan een misleiding. Rij naar de Flevopolder, rij van Almere naar Zeewolde, en u zult begrijpen wat ik bedoel. Rij naar de kop van Noord-Holland. Rij naar Friesland, waar de Afsluitdijk begint (of eindigt). U zult het zien. Eens was dat het platteland. Eens waren dit polders, met kerkjes, met een dorp hier en daar. Het was liefelijk. Niet meer. Het zijn gebieden geworden waar je het liefst zo gauw mogelijk doorheen raast. Claustrofobische stukken Nederland.

Men wil nu – naar Deens voorbeeld – dat hier zes keer zoveel windmolens komen als er op dit moment al staan. Er moet – gauw! gauw! – mee begonnen worden! Nederland, beweert men, ligt hopeloos achter waar het andere Europese landen betreft. Dit is bedacht en berekend door economen. Die vinden dat we ,,anders de boot missen''. Die vinden dat we als de bliksem ,,onze eigen groene stroom moeten gaan produceren''. En: het is nog goed voor het milieu ook! En zo worden we massaal in de luren gelegd. Zo worden de laatste resten ruimte opgevuld. Tot alles zo volgebouwd zal zijn dat we totaal onverschillig zijn geworden. Want lelijkheid zorgt voor onverschilligheid.

Waarom zou je je druk maken over een wereld die lelijk is? Waarom zou je je betrokken voelen bij een plaats die feitelijk te onaangenaam is om in te wonen? Maar, zoals gezegd: lelijkheid is geen issue waar het geld regeert. Benauwdheid is geen optie. Dat moeten we op de koop toe nemen. Maar Nederland zal onleefbaar worden. Nederland is een bedrijf, zeker, maar het wordt een industrieterrein als deze plannen doorgaan. En, God, wat zal iedereen weer hogelijk verbaasd zijn als er dan helemaal niemand meer een barst geeft om datzelfde milieu. Als Nederlanders nog veel zwaarlijviger worden, omdat niemand nog zin heeft om naar buiten te gaan. Als het aantal vogelsoorten nog veel verder afneemt. Als blijkt dat Nederland straks geen natuur meer heeft, maar is veranderd in één eindeloze voorstad.

Die windmolens zijn, door hun omvang en onontkoombaarheid, de laatste druppel. En denk niet dat ze ,,wel weer eens weg zullen gaan''. Want ze zijn oerdegelijk (ik heb nog nooit gehoord dat er één is omgewaaid of eenvoudigweg verroest).

Is er dan een alternatief? Ja, dat is er zeker. Er zijn andere mogelijkheden. Het is mogelijk om gebruik te maken van de getijden; de `molens' die daarvoor nodig zijn, bevinden zich onder water. En er is zonne-energie. Dat is schoon en tamelijk eenvoudig te realiseren. Zonnepanelen kunnen rusten op de daken van huizen, zonder dat het landschap verder wordt verruïneerd. Het hoeft hiervoor niet voortdurend mooi weer te zijn; daglicht is feitelijk genoeg. Maar beide mogelijkheden zijn, vooralsnog, wat duurder in de aanschaf. En dus kiest men stomweg voor verloedering.

Daarom vraag ik u nu: Protesteer! Stuur brieven! Stuur ingezonden stukken! Laat uw stem horen! Zet geen windmolens naast uw huis of boerderij! En weiger die zogenaamde groene stroom waarmee de NUON adverteert! Mochten de plannen doorgaan, mochten de projectontwikkelaars, de politici en economen hun zin krijgen, dan zal er al gauw geen zinnige Nederlander meer in eigen land willen verkeren. O zeker, we zullen blijven werken waar we werken. Maar we zullen vluchten naar het buitenland zodra we kunnen. In de hoop daar dan nog een uitzicht te vinden op een eindeloze zee, die zee van vroeger; de zee van onze oude dromen.

Schrijver en illustrator. Zijn kinderboek `Godje' werd vorig jaar bekroond met de Gouden Griffel. Eind vorig jaar verscheen de roman `IJspaleis' bij uitgeverij Prometheus.