Een oude Amsterdamse studentenflat met achttien bewoners op één keuken is niet uit de tijd

Alleenstaandenwoningen voor studenten horen niet te worden gesubsidieerd. Studenten moeten juist bij elkaar worden gezet, vindt Maarten Huygen.

De witte kunstsneeuwguirlandes van het gezamenlijke kerstdiner vorig jaar hangen er nog. Verder is het op orde in de keuken, als je tenminste in aanmerking neemt dat achttien al of niet studerende studenten er gebruik van maken. Smetteloos is het niet – hier en daar zie ik wat vettigheid en stof – maar je wordt niet aangestaard door stapels onafgewassen pannen en borden die veel andere studentenaanrechten versieren. Borden en bestek zijn uit het zicht en alle pannen zijn schoon achter de fornuizen gestapeld. Medisch co-assistente in opleiding Suzanne (24) zegt dat, gedurende het studiejaar als het gewone leven weer op gang is gekomen, de keuken nog netter is. Hier, bij de achttien kleine kamers van de derde verdieping van de studentenflat aan de Amsterdamse Weesperstraat, een drukke uitvalsweg, heerst namelijk een strak regime met corvé voor iedereen. Wie zijn poetsbeurt overslaat, moet 10 euro boete betalen aan de gemeenschappelijke pot en meestal gebeurt dat ook. Dit systeem hebben de bewoners zelf in het leven geroepen, zonder druk van bovenaf. Suzanne en Merle (22) geven om een nette omgeving en houden alles bij. ,,Iedereen een vuilniszak mee'' staat met krijt geschreven op het bord bij de voordeur.

Samenleven met gelijken leer je op een studentenflat of in een studentenhuis. Wie het huis uit gaat om te studeren, gaat meestal op kamers en dat betekent dat de douche, de wc en de keuken met anderen moeten worden gedeeld. Suzanne vindt deze overgangsfase van gezin naar zelfstandigheid wel prettig. Ze heeft aanspraak als ze thuis komt en als ze even alleen wil zijn na een zware dag, trekt ze zich terug in haar eigen kamer. Als ze na haar afstuderen een baan krijgt, kan ze haar eigen huis uitzoeken.

Toch stimuleert de overheid nog steeds het alleen wonen van studenten. Achttien kamertjes per afdeling geldt als antiek. De Weesperstraat wordt matig onderhouden. Het dak is nog steeds lek. Zelfstandig wonende studenten hebben recht op huursubsidie, maar kamerbewoners niet. Dat betekent dat studenten in een huurappartementje soms zelfs goedkoper uit zijn dan wc-delende kamerbewoners. Om die reden bouwen studentenhuisvestingsinstellingen nog steeds zelfstandigenwoninkjes met eigen wc, douche en keukentje. Dat is overbodige luxe in een tijd dat de meeste eerstejaars niet eens een kamer kunnen krijgen. Het aantal inschrijvingen aan de Universiteit van Amsterdam groeit, maar slechts een kwart tot een derde van de eerstejaars slaagt erin om in de eerste maanden aan een kamer te komen. Aan de Weesperstraat hoor ik verhalen van uitbuiting en misbruik door huisbazen, illegale onderhuur, huurders die zich niet op hun adres inschrijven, omdat anders de uitkeringsinstantie van de verhuurder er achter komt. Voor zo'n onofficieel wonende student is het een hele klus om de studiefinancieringsinstantie ervan te overtuigen dat hij recht heeft op een grote beurs, omdat hij niet meer bij zijn ouders zit.

In de huidige kamernood is zelfs een dormitory met twee eerstejaars per kamer zo gek nog niet. In het buitenland is dat heel gewoon. Alles beter dan ver weg wonen of niet naar de universiteit van de eigen keuze kunnen gaan. De grote afdelingen aan de Weesperstraat zijn dus eigenlijk helemaal niet uit de tijd. Het blijkt ook dat de bewoners redelijk tevreden zijn. De oudste in deze afdeling kan maar niet vertrekken en is inmiddels 33. Toch worden dergelijke grote wooneenheden niet meer gebouwd.

Het luxe éénstudents-doosje stamt uit de jaren '70, toen ik tijdens mijn studie de resultaten ervoer van eerdere grote studentenrevoltes. Studenten kregen steeds meer rechten. Ze praatten mee met het universiteitsbestuur en er werden zelfs pleidooien gehouden voor studieloon, want studeren was geen voorrecht, maar werk van intellectuele arbeiders. Steeds meer onderwijsuitgaven gingen naar consumptieve bestedingen van studenten, niet naar het onderwijs zelf. En daar werden de eerste met voorzieningen volgepropte éénpersoons-appartementjes opgeleverd. Het leek wel ongevraagd. Een studentenpsychiater kon de vereenzaamde bewoners opvangen. Later verviel ook het onderscheid tussen student en werkende jongere en werden er jongerenwoningen gebouwd. Alles groeide, dus waarom de studentenkamers niet? Maar de bevolking groeide ook, de nieuwbouw hield geen gelijke tred en in Amsterdam werden oude studentenhuizen verbouwd tot monumentale luxewoningen voor welgestelde alleenstaanden en gezinnen. Nu is de kamernood zo hoog gestegen dat de Amsterdamse studentenhuisvesting – wie kent nog de Caledonia – weer een cruiseschip heeft gekocht om alleen studenten te huisvesten en geen andere jongeren meer. Tussen de nieuwe éénstudents-appartementjes ontstaan hier en daar ook weer woningen met gedeelde keuken. Dat is verstandig en het zou nog grootschaliger moeten worden aangepakt. Studenten zouden zoveel mogelijk bij elkaar moeten worden gezet.

Studeren is niet zoiets als werken, het is de voorbereiding op de toekomst met een redelijk betaalde baan. Primitieve omstandigheden moeten op de koop toe worden genomen, want een goede studie is al duur genoeg. Huursubsidie hoort niet bij studenten, net zomin als een uitkering. Na de studie is er betere woonruimte te krijgen en daarmee komen er plaatsen vrij voor eerstejaars.

Groepswonen hoort bij de leeftijd waarop veel nieuwe vrienden worden gemaakt. Samenwonende studenten en jongeren zijn een favoriet onderwerp voor populaire comedies en soaps. Voor de bewoners van de studentenflat aan de Weesperstraat is Amsterdam geen anonieme metropool. Jaarlijks loten ze voor sinterklaassurprises, ze hebben ieder een eigen tv, maar ze kijken gezamenlijk in de keuken naar de live-verslaggeving over de doop van Amalia en sportwedstrijden. En samen besloten ze tot mijn spijt dat ze om redenen van privacy niet met hun achternaam in de krant willen. Suzanne zegt dat ze in haar studentenflat allerlei soorten mensen heeft leren kennen die ze anders nooit was tegengekomen. Dat komt van pas als ze dokter is. Ze heeft meer te vertellen dan de bewoner van een éénpersoons-doosje. Jongeren moeten zoveel mogelijk onder de mensen komen. Eenzaamheid kan altijd nog.