Een leven lang boos

Dr. Adriaan Kortlandt (86) schrijft aan zijn memoires. De als bioloog actieve psycholoog heeft zijn tegenstanders overleefd, maar eist nog altijd genoegdoening.

TER GELEGENHEID van het gereedkomen van het eerste deel van zijn memoires was de onder biologen fameuze Adriaan Kortlandt deze week in Amsterdam. Het eerste deel (er zullen nog twee delen volgen) gaat in hoofdzaak over de ruzie die hij in de jaren veertig kreeg met gedragsbiologen. Naar een uitgever wordt overigens nog gezocht.

Dat conflict heeft de carrière van Adriaan Kortlandt (86) behoorlijk in de weg gestaan, zoveel wordt wel duidelijk uit het manuscript van de memoires. Maar waarom dan pas nu deze reactie, nu de meeste hoofdpersonen in het drama het tijdelijke al voor het eeuwige hebben verwisseld? ``Al die jaren heb ik de lieve vrede willen bewaren. Maar nu is het tijd om naar buiten te treden met mijn antwoord. Ik heb nu de leeftijd bereikt waarop ik zaken eindelijk kan afronden. En voor het nageslacht is het belangrijk om te weten wat er precies aan de knikker was'', vertelt Adriaan Kortlandt in zijn Amsterdamse appartement. De etage ligt op een steenworp afstand van zijn geliefde dierentuin Artis. Het is zijn pied-à-terre in Nederland, want jaren geleden emigreerde Kortlandt naar Engeland, waar hij in de universiteitsstad Oxford ging wonen.

Wat is er aan de hand? Volgens Adriaan Kortlandt hebben ethologen zijn fundamentele bijdragen aan de gedragsbiologie stelselmatig genegeerd. Wie was de ontdekker van het hiërarchisch systeem van instincten? Kortlandt vindt dat hij tenminste zou moeten delen in de eer, maar er is geen bioloog die naar hem verwijst sinds de Leidse ethologen Niko Tinbergen en Gerard Baerends hem links lieten liggen. Nooit heeft Kortlandt opheldering kunnen krijgen over de precieze achtergrond daarvan. De kwestie heeft zijn leven beheerst.

Kortlandt ontdekte eind jaren dertig bij aalscholvers een stelsel van gedragingen die hij kon onderverdelen in instincten en subinstincten. Zo kwam hij tot een hiërarchisch model van instincten. Tijdens een door Niko Tinbergen georganiseerde bijeenkomst in Hulshorst ontdekte hij dat Tinbergens promovendus Gerard Baerends onafhankelijk tot dezelfde conclusies was gekomen bij zijn onderzoek aan het gedrag van graafwespen.

Aanvankelijk dacht Kortlandt in Baerends een medestander te hebben gevonden. Hun beider theorie kon immers een algemene waarde hebben, als hetzelfde systeem voorkomt bij vogels en insecten. Maar hij kwam van een koude kermis thuis, toen er in het proefschrift van Baerends in 1941 geen enkele referentie naar zijn aalscholverwerk stond. Er groeide een controverse die Kortlandt min of meer tot persona non grata zou maken onder biologen.

Het is haast onmogelijk te benoemen tot welke discipline Kortlandt eigenlijk behoort. Hij studeerde in de jaren dertig in Utrecht psychologie en geografie, maar hield zich voornamelijk bezig met gedragsonderzoek aan aalscholvers. Na de Tweede Wereldoorlog werkte hij in dienst van het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting aan de wederopbouw van Enschede. Later, in de jaren vijftig en zestig, deed hij onderzoek aan chimpansees in Belgisch Congo. Bekend zijn de proeven van Kortlandt met een opgezette panter, waarop wilde chimpansees reageerden met stokken gooien. Ook formuleerde hij theorieën over de evolutie van de mens. Psycholoog, etholoog, primatoloog, antropoloog, sociaal econoom, alles is hij wel genoemd in de loop der tijd.

In zijn curriculum vitae schrijft Kortlandt onder het kopje `general experience' onomwonden: `Multidisciplinaire methoden en resultaten wekken vaak irratie en zelfs boosheid bij monodisciplinairianen'. Kortlandt maalt daar niet om. Dit is juist wat hij wil, over de grenzen van het vakgebied heenkijken, multidisciplinair zijn. Maar het simpele feit dat hij zich als psycholoog waagde op het terrein van biologen en zich bemoeide met gedragsonderzoek van dieren kan wel eens de bron van alle ellende zijn geweest, schrijft Kortlandt in zijn memoires.

Als scholier in Rotterdam raakte Adriaan Kortlandt betrokken bij de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. In zijn komende boek schrijft Kortlandt daarover: `Via de NJN werd ik beginnend natuuronderzoeker, fotograaf en zelfs een beetje cineast met een aftandse Kodak 16 mm camera. Het zou voor de hand hebben gelegen, dat ik bioloog zou zijn geworden. Maar de NJN-sfeer beviel mij niet helemaal. [...] Het opschrijven van namen van waargenomen vogels of van gedetermineerde planten in een dagboek lag mij niet. Ik wilde het hoe en waarom in de natuur verklaren en begrijpen.'

Als NJN'er leerde Kortlandt een broedkolonie van aalscholvers kennen rond een eendenkooi tussen Krimpen aan de Lek en Lekkerkerk. Er nestelden meer dan duizend paartjes. Hij vatte het plan op het hele leven van de aalscholver fotografisch in beeld te brengen en er eventueel een boek bij te schrijven. Kortlandt bouwde metershoge schuilhutten van triplex, van waaruit hij het gedrag van de aalscholvers op hun nest van zeer dichtbij kon bestuderen.

Na de middelbare school pakte hij het serieuzer aan. In de winters van 1936 en 1938 (het seizoen waarin de aalscholvers afwezig zijn) bouwde de jonge onderzoeker observatieposten van acht en twaalf meter hoog, voorzien van jaloezieën en horgaas. Om de vogels zo min mogelijk te verstoren bouwde hij op de grond een slaaphok waar precies een matras in paste.

nauwkeurigGeïnspireerd door de beroemde Oostenrijkse gedragonderzoeker Konrad Lorenz, Artismedewerker Frits Portielje en klutenonderzoeker Frans Makkink wijdt Kortlandt zich aan de gedetailleerde waarneming van het aalscholvergedrag. Nauwkeurig houdt hij in 1939 de verrichtingen van de vogels bij. In vijf maanden tijd komt hij tot ruim duizend uren gedragswaarnemingen, zorgvuldig genoteerd in klein handschrift.

``Ik had oneindig veel meer observaties dan welke andere dieronderzoeker in die tijd. Door mijn opleiding in de psychologie en psychiatrie had ik veel beter leren kijken. De routine was er destijds niet om naar kleinigheden te kijken. Daar had ik juist wel oog voor.''

Op medisch-analytische wijze stelde Kortlandt `een diagnose' van het aalscholvergedrag, compleet met een beschrijving van de `symptomen' (bijvoorbeeld de aard van het stemgeluid van het vrouwtje) en `syndromen' (het frequent optreden van een groep van symptomen, bijvoorbeeld een afwijkend stemgeluid van het vrouwtje gecombineerd met onvrouwelijk gedrag). Hij prefereerde klinische en fenomenologische methoden boven de in de ethologie gangbare categorisatie van gedragingen, waarin de fijnere nuances in de waarnemingen verloren zouden gaan.

Dat was op zijn zachtst gezegd ongebruikelijk in de biologie. Ethologen gruwden bij het idee menselijke emoties een rol te laten spelen bij de beoordeling van het diergedrag. Teneinde een zo goed mogelijk objectief beeld te krijgen van wat er zich afspeelde, diende elke vorm van antropomorfisme te worden uitgesloten. Bijvoorbeeld het namen geven aan wilde dieren, zoals Kortlandt deed om de verschillende aalscholvers makkelijk uit elkaar te houden, was uit den boze.

Volgens Kortlandt getuigt de uitsluiting van de mens van een antidarwinistische houding. De mens is immers ook een dier dat net als alle andere fauna geëvolueerd is. Kortlandt: ``Als de mens aan bod kwam bij de toenmalige ethologen, dan was dat meestal in de trant van iets lolligs. Zo omschreef Lorenz de mens als een opvliegende mensaap met een atoombom in zijn handen. Wat moet je met zo'n gelul? Was de mens dan voor 1945 nog geen mens? Dat is toch mesjogge!''

Sigmund Freud ontvouwde in 1905 in zijn Abhandlungen zür Sexualtheorie al een theorie over de hiërarchie van instincten compleet met een beschrijving van de ontogenie van het gedrag, aldus Kortlandt, waarmee hij maar wil aantonen dat de psychologie destijds ver voor lag op de gedragsbiologie. Maar de biologen wilden er niets van weten, zegt Kortlandt: ``Tinbergen schrijft bijvoorbeeld in zijn boek uit 1951 dat hij niet in staat is om al die psychologie ook nog eens bij te houden. Dat is hetzelfde als een apotheker die tegenwerpt dat hij toch niet de hele chemie erbij kan doen. Het slaat als een tang op een varken! Zo stom waren die lui nou ook weer niet, dat ze niet begrepen wat ik schreef. Voor mij is niet duidelijk wat zich hier heeft afgespeeld.''

observatietorenDe aantekeningen werkte hij uit in een zes meter lange grafiek, waarin hij chronologisch 38 complete en incomplete `gezinsgeschiedenissen' van aalscholverpaartjes weergaf, inclusief hun onderlinge interacties. Kortlandt: ``Vanuit mijn observatietorens kon ik ongezien en van dichtbij het gedrag van deze aalscholvers bestuderen. De nesten bevonden zich op twee, drie meter afstand van mij. Dat was heel nieuw, zo dichtbij. De constructie van mijn observatietorens is vergelijkbaar met Anthoni van Leeuwenhoek die lenzen maakte en zo een geheel nieuwe wereld ontdekte.''

``Hoe anders ging dat bij de ethologen onder leiding van Tinbergen in Leiden. Die zaten in de duinen bij Meyendel naar meeuwen te kijken. De afstand tussen de vogels en de onderzoekers veel te groot, waardoor zij hen niet individueel konden herkennen. Het terrein was bovendien heuvelachtig en daardoor verdwenen de meeuwen geregeld uit het zicht. De ethologen zijn echter nooit bij mijn waarnemingshutten komen kijken. Waarom niet? Omdat iedereen zich vastklampt aan zijn eigen universiteit en zijn eigen ideeën. De wetenschap is vergiftigd door blinde muren.''

Kortlandt heeft zijn aalscholveronderzoek nooit in zijn volle omvang gepubliceerd. ``Ik heb het onafgeronde manuscript hier nog steeds'', zegt Kortlandt en hij houdt een dikke stapel vergeelde kartonnen mappen omhoog. ``Het zijn meer dan 750 pagina's.'' Kortlandt liet het aalscholveronderzoek voor wat het was nadat de vooraanstaande Britse etholoog Robert Hinde in 1957 gehakt maakte van Kortlandts publicatie van twee jaar eerder. Daarin probeerde Kortlandt zijn theorie van hiërarchische instincten theoretisch uiteen te zetten. Hij was diep gekwetst door de negatieve reactie van Hinde, die hij hoog achtte. Nog steeds spreekt Kortlandt van een `schimpschrift'. ``Toen dacht ik dat geen uitgever het aalscholverwerk nog zou willen publiceren en heb ik het definitief laten liggen. Ik ben toen naar Afrika omgezwaaid.''

Ook na lezing van het manuscript van Kortlandts memoires blijft het lastig te begrijpen dat hij zijn grieven niet meteen met Tinbergen en Baerends heeft besproken, waarmee hij veel ellende had kunnen voorkomen. Tenslotte schreven Tinbergen en Kortlandt elkaar geregeld brieven. Kortlandt begrijpt het wel: ``Tinbergen werd eind 1942 door de Duitsers opgepakt en als gijzelaar vastgehouden in een interneringskamp. De oorlogsjaren waren daarom niet echt de sfeer om ruzie te maken. Na de oorlog dacht ik: het komt vanzelf wel in orde. Met Baerends bleek het onderwerp echter onbespreekbaar. Tinbergen was toegankelijker. Ik heb na een congres in 1953 nog geprobeerd er met hem over te praten, maar hij was toen te moe. Daarna zijn we er nooit meer op teruggekomen. In één brief schreef hij later nog wel: nu pas beginnen we te begrijpen wat je bedoeld hebt.''

erkenningAls medeontdekker van overspronggedragingen kreeg Kortlandt overigens wel erkenning, geeft hij toe. ``Dat hebben Tinbergen bij meeuwen en ik bij aalscholvers na elkaar gevonden. In werkelijkheid was ik een jaar eerder dan hij, maar dat maakt geen barst uit. Het gaat om het moment van publiceren, en dat hebben we onafhankelijk van elkaar gedaan.''

Maar op andere vlakken ging het dus minder netjes. Volgens Kortlandt ontleende Tinbergen de ideeën voor zijn beroemde `Four why's' in het boek `The study of instinct' ook al aan zijn werk. Het gaat om de vier causale verklaringsprincipes van diergedrag; aandrijving, overleving, ontogenie en fylogenie. ``In 1940 heb ik die elementen al in mijn artikelen beschreven'', zegt Kortlandt bits.

Met al dat intellectuele leentjebuur, zal Kortlandt er wel niet mee ingenomen zijn geweest dat in 1973 de Nobelprijs aan Niko Tinbergen werd toegekend. Maar dat blijkt mee te vallen. Kortlandt: ``Tinbergen noem ik een pilaarheilige. En pilaarheiligen mogen geëerd worden, dat vind ik best. Hij heeft de grote wetenschappelijke verdienste op zijn naam dat hij het vakgebied van de dierpsychologie de nieuwe naam ethologie heeft gegeven. Door er een nieuw etiket op te plakken lijkt het alsof er een puur nieuwe wetenschap tot stand is gekomen. Iedereen weet dat een Nobelprijs vreemd terecht kan komen. Tinbergens grote verdienste was dat hij een sociale en enthousiaste man was die veel studenten om zich heen wist te verzamelen. Ik heb hem royaal gefeliciteerd.''

Tinbergen moest zijn prijs overigens delen met Konrad Lorenz en Karl von Frisch. Kortlandt: ``Von Frisch was een groot man. Tinbergens dissertatie was gebaseerd op zijn werk. Lorenz is echter een zwamkous. Hij schreef in 1940 fascistisch getinte dingen als `Der rassische Gedanke als Grundlage unserer Staatsform'. Zo iemand verdient toch geen Nobelprijs?!''

Wat opvalt in het manuscript is dat Kortlandt meestal mild voor zichzelf is en vaak zeer kritisch naar anderen. ``Ja allicht, moet ik dan op mijzelf boos worden?''