Digitale infrastructuur is uiterst kwetsbaar

Johan Schaberg omschrijft in zijn column van 19 augustus een computervirus als iets nuttigs. Het vervult immers ,,dezelfde heilzame rol'' als een biologisch virus bij organismen; we worden er sterker van.

Maar Schaberg gaat verder. Hij plaatst de virusbouwers op een voetstuk, omdat ze ons wijzen op de zwakke plekken in de `publieke infrastructuur' en aldus de kwaliteit bewaken van de automatiseringswereld. De vergelijking met een vandalist, die de samenleving ook schade berokkent, gaat volgens Schaberg echter niet op, want de ruiten van bushokjes die zij vernielen zijn ,,naar hun aard en functie'' breekbaar. Een enigszins geforceerd onderscheid wat mij betreft, want weliswaar hoort onze publieke infrastructuur ,,solide, schokbestendig en weerbaar'' te zijn, de 17-jarige scholier die het Sasser-virus bedacht, bewijst op kinderlijk eenvoudige wijze dat onze digitale infrastructuur, net als de ruit van een bushokje, uiterst kwetsbaar is.