De opstand in Warschau en de SS-ers in Letland: hoe Oost-Europa leeft met en door zijn geschiedenis

De Warschause straat heeft een fijn gehoor. Toen de vertegenwoordigers van de ambassades de kransen bij het Monument van De Opstand van Warschau legden, werd de Britse krans verwelkomd met een mager applausje, de Russische met een fluitconcert en de Franse met een veelbetekenende stilte. Wat kun je meer zeggen?

(Het Poolse Dagblad 'Zycie', 2 augustus)

De herdenking van het begin van de Tweede Wereldoorlog op 1 september 1939 staat voor de deur, en weer zal in Warschau een koor verongelijkte stemmen opklinken over de Fransen en de Engelsen, die met schijnbewegingen bezig waren terwijl de Duitse tankdivisies Polen platwalsten.

Dit overdreven vertoon van nationale trots hoort bij de Polen; trots hebben zij in overvloed. De geschiedenis is nog steeds een essentieel element in het Poolse leven, met een even centrale en ingrijpende rol als bijvoorbeeld religie.

Dat merkte ik deze zomervakantie weer, die ik doorgbracht in Polen bij het Mazurische stadje Pisz. In 1945, al na het einde van de oorlog, heeft het bezopen Rode Leger, op haar terugtocht van Berlijn naar huis, dit stadje volledig in de as gelegd. Alleen het stadhuis is overgebleven. De bewoners vertellen nu over de pracht van weleer, verzuchten ,,waren die idiote Duitsers die oorlog maar niet begonnen'', en gaan over tot grof vloeken op de Russen. Dat is hun historisch besef: een mengeling van kennis, stereotypen en emoties.

Bij de recente herdenking van de Opstand van Warschau van 1944 moesten de bezoekende Amerikanen en de Britten van hun gastheren verwijten aanhoren over de weifelende houding van de geallieerden en de geringe hulp aan de opstandelingen. Al trof volgens de Polen het Rode Leger de grootste blaam, omdat het twee maanden lang vanaf de andere kant van de rivier toekeek hoe de Duitsers de opstandige Poolse hoofdstad wurgden. President Poetin werd zelfs niet uitgenodigd voor de plechtigheden begin deze maand: een politieke gebeurtenis van de eerste orde.

Maar ook de Russen hebben een sterk historisch besef, en dat staat haaks op het Poolse. Het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken gaf een woedende verklaring uit: het Poolse gepraat over wie wel en wie niet de opstand heeft geholpen, was tendentieus en subjectief, `heiligschennis' tegenover de gevallen opstandelingen en de 600.000 sovjetsoldaten die sneuvelden bij de bevrijding van Polen.

Dit is meer dan geruzie tussen buren, meer dan getouwtrek om politieke gebaren. Hier is `De Geschiedenis' in actie. Die geschiedenis, eindelijk uit de communistische vrieskast gehaald, doet pijn. Maar voor het grootste deel van Oost-Europa geldt dat collectieve geheugen over vroeger van de verschillende volkeren enorme invloed heeft op wat er nu gebeurt.

Een paar jaar geleden bezocht ik met twee collega-journalisten het Oorlogsmuseum in Riga. Op grond van het Ribbentrop-Molotovpact werd Letland in 1939 door de sovjets bezet. In 1941 viel Hitler de Sovjet-Unie aan, en veroverde daarbij onder andere Letland. De ervaringen van de twee jaar sovjetbezetting waren echter zodanig dat de Letse jeugd zich vervolgens massaal bij de Waffen-SS meldde. In het Oorlogsmuseum in Riga was die steun voor de SS allemaal zorgvuldig en liefdevol vastgelegd. Mijn collega's en ik liepen de werkkamer van de museumdirecteur binnen. ,,Wat zijn jullie aan het doen, zijn jullie helemaal gek geworden?'', riepen wij. ,,Dit is misschien het enige SS-museum in Europa!'' De directeur schreeuwde boos terug: ,,Jullie snappen geen bal van Letland. Schrijf dan maar in je kranten dat alle Letten fascisten zijn, en opgesodemieterd!''

Sinds mei zitten de Letten, de Polen, de Tsjechen, de Esten, de Hongaren, ieder met hun eigen zielswonden, in de Europese instellingen. Nu zij medebepalend zijn geworden voor beslissingen die iedereen binnen de Europese Unie aangaan, zijn hun geschiedenissen, hun wonden, ineens veranderd: van een wat bizar en opgewonden gedoe ergens ver in het Oostblok tot een deel van onze dagelijkse Europese werkelijkheid. Wie dat niet begrijpt, kan alleen maar met een mengeling van verbazing en onbegrip kijken naar wat er nu gebeurt.

Het idee dat de huidige Nederlands-Franse verhoudingen mede bepaald zouden zijn door de Napoleontische bezetting, is absurd. Maar even absurd is het idee dat de Poolse opstanden tegen het tsarenimperium in de 19de eeuw van géén invloed zijn op de hedendaagse Pools-Russische verhoudingen.

Kennis, stereotypen en emoties: in Poolse ogen zijn de Russen gevaarlijke imperialisten en is dat in de loop der eeuwen keer op keer bevestigd. In de Russische ogen zijn de Polen een irritant, hoogmoedig, ongehoorzaam volk dat keer op keer gevaarlijk dwarsligt.

Op enkele nobele uitzonderingen aan beide zijden van de grens na zijn deze beelden springlevend. De Polen behoren immers, om maar wat te noemen, samen met de Fransen en de Tataren, tot het exclusieve gezelschap van volkeren die er ooit in slaagden Moskou te veroveren.

Dit was lang geleden, zou een westerling zeggen. Nu gaan we over tot de orde van de dag. Maar begin jaren '90 vielen, samen met het communisme, ook de communistische feesten en herdenkingen weg. Het Russische volk moest dringend iets in de plaats van de Oktoberrevolutie krijgen. De toenmalige burgemeester van Moskou Gavriil Popov kwam op het idee om het verjagen van de Polen uit Moskou in oktober 1612 groots te vieren. Alsof het gisteren gebeurde.

Het Poolse collectieve geheugen maakte in de jaren '90 een nog ingrijpender metamorfose door. Misschien gebeurde het uit schuldgevoel, om de medeplichtigheid te vervullen, maar de hele communistische periode is uit de huidige werkelijkheid weggevaagd. Alsof die nooit heeft bestaan. Je hoort wel veel over de macabere en totalitaire aspecten, ter lering en ter afschrikking. Maar niets meer over de vele Poolse divisies die aan sovjetzijde tegen de Duitsers vochten. Net zoals je onder het communisme tientallen jaren lang niets hoorde over de heroïsche opstandelingen van Warschau. Hoogstens zal een rechts-katholieke stem van de weeromstuit de generaals van deze divisies joods-communistische verraders noemen.

Wie bouwde er vervolgens woningen, wie gaf er les op school in de jaren '50. '60, '70? Is er misschien ook iets goeds ontstaan in de communistische periode in Polen, een beroemde filmschool, exacte wetenschap van formaat, fatsoenlijk bosbeheer? Wat dat betreft grenst het negeren van het eigen verleden aan het potsierlijke. Het is net als onder het communisme, alleen gebeurt het dit keer vrijwillig. De postcommunistische bestuurders van het land verklaren bombastisch dat ook zij nooit in het communisme geloofden en in feite altijd dissidenten waren van nationalistische snit, en dat de echte dissidenten door anderen in de gevangenissen werden gestopt. Deze zomer maakte ik een Poolse bankier mee die snoof van verrukking toen hij in een kast van zijn gastheer allerlei oude dissidente geschriften vond. Dezelfde avond nog werd hij door een andere gast herkend als de oud-beheerder van de geheime fondsen van de communistische inlichtingendienst. Zo zaten wij in een Pools dorp aan tafel, vol ongemakkelijke vrolijkheid, samen met de oud-vervolgden en de oud-KGB'er met zijn chique terreinwagen. Dit is de wrange ironie van de geschiedenis.

De Poolse archetypen van sociaal gedrag zijn er altijd, onveranderd, en ze treden op het juiste moment in werking, als bij het aanknippen van een lichtschakelaar. Het gaat om een overtuiging die haast in het onderbewustzijn is ingeprent: het strijden voor een hopeloze doch juiste zaak is eervol en gewenst. Je nationale waardigheid is meer waard dan de politieke werkelijkheid. Verlies telt niet. Paradoxaal genoeg kan feitelijk verlies ook een geestelijke overwinning zijn. Om de twintig à dertig jaar begonnen de Polen weer een schijnbaar zinloze, het gezond verstand teisterende strijd. De herinnering aan elke gedecimeerde generatie verplichtte de volgende tot een vergelijkbaar gedrag. Het lijstje is eindeloos.

Het is natuurlijk een mythe dat het Poolse volk eensgezind en patriottisch als één man achter de elkaar opvolgende kansloze zaken stond. Wel valt te constateren dat het Poolse historische besef aan de basis ligt van het gedrag dat voor de buitenstanders vaak op waanzin lijkt.

De jaren 1980-81, de opkomst van de vakbeweging Solidarnosc, is voorlopig het laatste moment dat het verstandige Westen zich afvroeg: ,,Wat willen die Polen nou weer?'' Al waren ze met z'n tien miljoen, zij hadden geen kans tegenover de sovjetmacht. Erger nog, hun beweging was in de westerse ogen contraproductief, storend en onnodig, zij reed de ontspanning in de wielen die juist zo mooi op gang kwam. De Nederlanders beleefden toen hun eigen vlaag van collectieve verstandsverbijstering en riepen tijdens massale vredesdemonstraties dat een Rus in de keuken beter is dan een raket in de tuin. Een groter verschil in historisch besef is haast niet denkbaar.

De vraag is hoe dit Poolse historische besef zich in de hedendaagse werkelijkheid zal manifesteren. Hoe zullen de Polen zich in de Europese Unie gedragen? Wat voor invloed kan hun collectieve geheugen hebben op het verenigd Europa?

Die verschrikkelijke september van 65 jaar geleden resoneert nu nog steeds in de Poolse houding. Hij is terug te vinden in het wantrouwen van het volk jegens de Europese Unie. En in het hardnekkig trouw blijven aan de Amerikanen in Irak, terwijl de meeste bondgenoten staan te popelen om zich zo elegant mogelijk van het Iraakse avontuur los te maken. Want de Amerikanen, naar het Pools historisch besef, hebben de Polen nooit de rug toegekeerd, nooit verkocht of verraden. Integendeel, de Amerikanen hebben als de enige westerlingen een haast Poolse kijk op het sovjet-imperium gehad, en daarnaar gehandeld. Of het nu waar is of niet, zo is het voor de Polen, in een mengeling van kennis, stereotypen en emotie.

Of de Amerikanen deze warme vriendschap delen, is een andere vraag. Nog een week voor het vertrek van Colin Powell naar Warschau verwarde het State Department de opstand van Warschau met de getto-opstand (die een jaar eerder dan de grote Warschause plaatsvond), en verklaarde het onverschillig en routineus dat Powell naar Polen gaat om de gettohelden te eren. Deze kleine tactloosheid valt overigens in het niet bij de Franse: misschien was het omdat hij deze keer geen eerste viool zou spelen, misschien om president Poetin niet te ergeren, maar president Chirac liet zich in Warschau vertegenwoordigen door de laagst mogelijke ambtenaar, de ambassadeur ter plaatse.

Zijn de Polen misschien overgevoelig in hun reacties? Soms pakt het haast lachwekkend uit. Een jaar geleden woedde in Europa een discussie over een voorstel voor een nieuwe Europese stemverdeling, een verandering ten opzichte van de stemverdeling zoals die was vastgelegd in het Verdrag van Nice. Polen en Spanje zouden in de nieuwe situatie minder gewicht krijgen. Een Poolse politicus, in het gewone leven een aangename liberaal, riep toen vanuit het parlement: ,,Wij laten ons niet weer belazeren! Nice of de dood!'' Plotseling was het politieke schaakspel minder belangrijk. De schakelaar van het historisch besef ging om. Heel Polen, van links tot rechts, van de president tot de laatste brievenbezorger, wilde voor de juiste zaak strijden. `Nice of de dood!' riepen de kranten, en ze publiceerden ellenlange stukken over het heroïsche verleden en het ondankbare Europa. Het heeft een dik half jaar geduurd, voordat andere stemmen aan bod kwamen.

Ook dit incident kun je waanzinnig of potsierlijk noemen. Maar hadden de Polen zich, naar westers voorbeeld, op belangrijke momenten laten leiden door redelijk denken en het gezonde gevoel voor zelfbehoud middels morele compromissen, dan zou hun identiteit, hun volk allang niet meer bestaan. Een schijnbaar waanzinnig, onpolitiek gedrag loont, en niet alleen in geestelijke zin. Het was immers het ongehoorzame Poolse Solidarnosc dat de Koude Oorlog de das om heeft gedaan, en niet de compromisvolle ontspanning.

De Polen en de Letten hebben zo, ieder op heel verschillende manier, de Geschiedenis als een bron van identiteit. Dat geldt ook voor de Hongaren, met hun complex van een verloren imperium en foute vriendschappen; voor de Roemenen, met hun foute vriendschappen en een vreemde mengeling van armoede en trots; en voor de Tsjechen, redelijke mensen die de Nederlanders van Oost-Europa werden genoemd en met pijn nu het scherpe contrast voelen tussen de situatie van voor de oorlog, toen het het ontwikkeldste land was van Midden-Europa, beroemd door zijn ingenieurs, en die erna, toen het imago veranderde tot een onbetekenend land ergens achter Duitsland waar je gezellig bier kan drinken.

Door het soms overdreven patriottische en compromisloze gedrag hebben deze landen hun identiteit weten vast te houden. In het westen wordt dat patriottisme vaak als negatief gezien. De geschiedenis is voorbij. Maar wie Oost-Europa wil begrijpen, ermee wil samenwerken en akkoorden wil sluiten, moet zich realiseren dat de geschiedenis daar voorlopig niet voorbij is.

Freelance journalist, gespecialiseerd in de voormalige communistische wereld.

Hij is geboren in Polen.