Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Het is zomer. Als ik de grens overga tussen Hongarije en Servië voel ik het direct. Men is hier kwetsbaarder. Het komt waarschijnlijk door de verlaten winkeltjes bij de grens of de ongeliktheid van de douaniers – misschien is het het ontbreken van de geruststellende witte markering op het asfalt.

Ik logeer bij Serviërs even buiten Subotica: kamer met douche voor 9 euro per nacht. Twee Hongaren hebben dit voor mij geregeld. De gastvrouw is dik, blond en hartelijk. Haar man is eveneens stevig gebouwd en heeft littekenweefsel in het gezicht. Samen gaan ze het huis in om drank te halen. De Hongaren fluisteren me toe dat ik het gastgezin maar niet moet zeggen wat ik hier kom doen. De gastheer is de lokale politiecommissaris. Hij brengt een fles raki. Het is vijf uur's middags en er moet gedronken worden. ,,Als een agent je aanhoudt'', zegt de Servische politiecommisaris, ,,dan zeg je dat je mijn gast bent''.

Oude combines gaan in slagorde over de goudgele velden om het graan van het land te halen. Ik rij naar een dorpje bij Kula. Het is een desolate plek waar je als cultureel hoogtepunt van het jaar tractorpulling of een motocross verwacht. Maar hier, temidden van de eindeloze maïs- en graanvelden, is een Hongaars cultureel festival: in een oude steengroeve met steile, twintig meter hoge wanden lezen Hongaarse schrijvers voor, maken Hongaarse muzikanten muziek en dansen Hongaarse dansers Hongaarse dansen. Enkele honderden mannen, vrouwen en kinderen van de Hongaarse minderheid van de Vojvodina zijn verzameld. Tot het verdrag van Trianon hoorde deze zeer vruchtbare – `de beste grond van Europa' volgens de lokale boeren – noordelijke provincie van Servië bij Hongarije. Nog steeds wonen er, ondanks alle pogingen tot wegpesten, bijna 300.000 Hongaren.

,,Weet je, John Deer, van de tractors, komt uit deze streek'', zegt de man naast mij trots. Hij blijft me strak aankijken: ,,Dér János is de naam waarmee hij geboren werd.'' We zitten onder tentdoek, aan een lange houten tafel. Het is nacht. Uit grote witte plastic bekers wordt bier gedronken. Enkele gloeilampen, kaarsen en vuren verlichten de oude mijn. De kinderen en ook de meeste vrouwen zijn naar huis gegaan.

,,Wil je niet bij de zes jonge schrijvers aan tafel komen zitten?'' vraagt de organisator van het festival. Ik zit tegenover een loodgieter en naast een boer met een loonbedrijf. ,,Nee, dank je.'' Zes jonge schrijvers uit Boedapest kunnen niet op tegen een loodgieter uit de Vojvodina. De organisator, socioloog en journalist, gaat zitten: ,,Als Hongaar kan je geen hoge positie bereiken in de Vojvodina, alleen Serviërs kunnen dat.''

,,Je kunt ook geen land kopen'', zegt de loonwerker: ,,Bij de grote privatiseringen gaat alles naar Serviërs. De Hongaren verkopen alleen aan elkaar. Als een Hongaar weggaat of sterft gaat de grond naar een Hongaar.''

,,Het beleid van de overheid is de Vojvodina te verarmen, alle Hongaren langzaam werkloos te maken en hen zo alsnog weg te jagen'', zegt de loodgieter: ,,De Servische overheid voert een stille, economische ethnic cleansing uit.''

,,Je hebt 300 à 400 euro nodig om een gezin te onderhouden. Ik verdien 200 euro officieel, daarnaast 400 euro met klussen. Ik sta iedere dag om 5 uur op en kom tussen 9 en 11 uur 's avonds thuis. Ik heb geen vakanties. Mijn ouders hebben 12 jaar in Duitsland gewerkt, die geven me soms wat geld. Als volwassen zoon help ik niet mijn ouders maar moeten zij mij helpen'', zegt de loodgieter beschaamd.

,,Wat deden jullie in de oorlog?'', vraag ik.

,,Ik werkte in een concentratiekamp'', antwoordt de socioloog. ,,Honderd kilometer van hier.''

,,Wat deed je daar?''

,,Administratief werk, ik noteerde de namen van de mannen die gemarteld en vermoord gingen worden. Ik moest kiezen tussen meewerken in het concentratiekamp of de frontlinie. Dat wilde ik niet. Ik was bang. Zodra de Serviërs zagen dat je Hongaar was werd je in de frontlinie geduwd. Ik heb niets gewelddadigs gedaan in het kamp, maar ik besef dat ik de martelingen en moorden mede mogelijk heb gemaakt. Ik ben medeverantwoordelijk.''

Ik kijk hem aan. Hij is klein en dikkig, met de onhandigheid van een studiebol. Nu pas zie ik hoe getormenteerd hij uit zijn ogen kijkt. Hij knikt naar me. Ik kijk om me heen naar de andere mannen van mijn leeftijd of jonger. Ze staren zwijgend voor zich uit en drinken van het bier. Op de achtergrond schalt de muziek. Iedereen is terug in zijn eigen oorlog. Deze Hongaarse jongens werden in de gevaarlijkste posities gezet. Op dat hobbelige feestterrein met wilde volksmuziek ben ik ineens verzeild in de Deerhunter. De jongens hebben sterke kinnen en de rustige, serieuze uitstraling van grote broers. Behalve de socioloog zijn het reuzen.

,,Het heeft overigens niet geholpen'', zegt de socioloog.

,,Wat?''

,,Het me drukken in het concentratiekamp. Ze hebben me later alsnog naar het front gestuurd. Ik kreeg een opleiding tot sniper. Ik werd in een een mansgat gestopt in de bergen, met een geweer met telescoop. Ik moest Bosniërs schieten.''

,,En?''

,,Ik heb me met het geweer in de kuil laten zakken en me afgetrokken. Ik heb geen Bosniër gedood, ik heb alleen maar aan vrouwen gedacht.''

Iedereen lacht luid. De loodgieter die al lange tijd zwijgt zegt: ,,Wij kregen zo weinig soldij dat je er niks van kon kopen. Het enige dat we ons konden permiteren waren condooms. Die bliezen we op en staken in de lucht. De Bosniërs schoten de condooms dan aan flarden. Dat is wat we deden.''