Zoveel zwart, en een klein beetje kitsch

Recenseren is kiezen. Boeken zijn zelden óf het meesterwerk óf de prul waar je bij het schrijven van een bespreking over in vuur en vlam kan raken. Het is zoals een wijs oud vrouwtje in Philippe Claudels roman Grijze zielen zegt: `De dingen zijn nooit helemaal zwart of helemaal wit, alles is grijs'. Ik ken geen criticus die niet af en toe zijn oordeel wat laat overhellen, de witte of de zwarte kant op. Niemand wil immers altijd maar grijzige recensies schrijven, waarin het boek een beetje mooi en tegelijk een beetje niet-mooi blijkt.

Van Claudels roman, bijvoorbeeld, zou je kunnen zeggen dat het een meesterwerk is, een hartverscheurend verhaal over de moord op een achtjarig meisje, gepleegd in de marge van de Eerste Wereldoorlog. Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat Grijze zielen, waarmee Claudel doorbrak naar het grote publiek, een beetje kitsch is. Omdat Claudel er graag een schepje bovenop doet en de dingen zwarter en witter maakt dan ze in werkelijkheid zijn. Zo wordt de wereld bij hem opgedeeld in arme drommels aan de ene kant en `varkens', volgevreten machtswellustelingen, aan de andere kant; en ook het contrast tussen de onschuld (lelieblanke, zachte vrouwen) en het kwaad (harde, sigarenrokende en orgaanvlees etende mannen), is scherp aangezet.

Maar net als je zeker denkt te weten dat Grijze zielen tot de prullen behoort en niet tot de meesterwerken, verschijnt er weer een notabele die wél het hart op de juiste plek heeft, of blijkt de meest onschuldige blonde boerenjongen ineens toch een kindermoordenaar te kunnen zijn.

Kille procureur

Het verhaal is adembenemend. Een klein Frans stadje in de Eerste Wereldoorlog, de laatste voorpost van de hel, op de rand van de gevechtslinies. Als gruwelijk decor van de gebeurtenissen is er steeds de stroom angstige, stoffige jongens de ene kant op en de stroom kapotgeschoten vlees de andere kant op. Dankzij een grote fabriek die bemand moet blijven, komen de bewoners van het stadje zelf veilig de oorlog door. Behalve Belle de Jour, het beeldschone frisse meisje wier lichaam eind 1917 uit het kanaal wordt gevist. Over deze zaak schrijft de verbitterde oud-politieman, die de verteller is, schrift na schrift vol. Over de harteloze, kille procureur die als laatste met het meisje gezien is, maar die dankzij zijn status de dans ontspringt. Over de twee soldaten die de schuld voor de moord in de schoenen geschoven krijgen. Dat maakt weinig uit, want zij waren als deserteurs toch al ten dode opgeschreven. Wat wel uitmaakt is de ijzingwekkende wijze waarop ze tot een bekentenis worden gedwongen.

Waarom de politieman dit jaren later op papier zet, terwijl zo'n beetje alle protagonisten al dood en begraven zijn, weet hij zelf ook niet. Keer op keer benadrukt hij de zinloosheid van zijn onderneming. Ondanks zijn verbetenheid is het schrijven voor hem zoiets als `hardop tegen de dingen en de muren praten'. Of hij zegt: `Ophouden, dat zou ik echt moeten doen. Wat hebben al mijn schrijfsels voor nut, deze regels die zo dicht op elkaar gepakt staan als ganzen in de winter, deze woorden die ik aan elkaar naai zonder er iets in te zien?'

Die twijfels van de verteller contrasteren met zijn weelderige beeldspraak en je gelooft hem nauwelijks wanneer hij klaagt dat hij woorden `moeilijk' vindt. De beelden wijzen eerder op een waanzinnig schrijfplezier dan op de onverschilligheid die de verteller voorwendt. Vergelijkingen gaan schuil in weer nieuwe vergelijkingen, bijvoorbeeld wanneer een paar eierschalen onder een hak worden verbrijzeld en klinken, `als de glazen botten van een koppel vogels'. Alsof vogelbotjes niet fragiel genoeg zijn, moeten ze ook nog van glas zijn. En dat alles naast het bevroren lijkje van een achtjarige, met wier botjes zo een parallel wordt getrokken.

Die beelden zijn zo vernuftig dat het maar moeilijk te geloven is dat hier een `uit de klei getrokken' agent aan het woord is als verteller. Maar Claudel is zelf ook een boerenzoon uit de buurt van Nancy en het is vooral het plattelandsleven dat hij goed in woorden weet te vangen. Bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over een kasteleine die lijdt aan `wat we hier een kwijnende ziekte noemen, iets wat hier nogal vaak voorkomt bij vrouwen die de novembermist en hun eigen ontreddering niet uit elkaar kunnen houden'.

Het indrukwekkende taalgebruik laat de weegschaal naar de goede kant overhellen: Grijze zielen is een prachtboek. Dat betekent dat ik verder zal zwijgen over de clichés, zoals waar het vermoorde meisje `een zonnestraaltje' wordt genoemd, of wanneer er wordt gesproken over `het grote mozaiek van het lot'. En al evenmin zal ik mopperen op de zwaar aangezette symboliek, wanneer een nachtvlinder als een waanzinnige cirkels rond het lijk van een jonge vrouw vliegt, of een gedoemd personage dat `Destinat' als achternaam draagt. En ik zal ook niet verder ingaan op de al te bonte stapeling van beelden, waarbij iemand `zo wit wordt als een preiplant' en tegelijk begint `te trillen als een espenblad'.

Kletsen

Als lezer accepteer je die overvloed door de samenhang die er onder ligt. Want hoewel het stadje zich door een heuvel van het slagveld gescheiden weet, blijkt de oorlog aan het hart van het verhaal te liggen. Alle gebeurtenissen, ook de dood van uiteindelijk drie jonge vrouwen, zijn het gevolg van de slachtpartij een paar kilometer verderop. Ook hebben opvallend veel beelden op de oorlog betrekking, of het nu gaat om een `mitrailleursalvo' in iemands ogen of een klaslokaal `als een slagveld'. Het ogenschijnlijk vreedzame burgerbestaan is een permanente afspiegeling van wat zich aan de andere kant van de heuvel in de loopgraven afspeelt. Het is allemaal, zoals de verteller concludeert: `in wezen een kwestie van smerigheid'.

Dat nihilistische wereldbeeld is niet nieuw bij Claudel: een gedesillusioneerde weduwnaar is bij hem vaker aan het woord, de rol van de kinderen die een lichtpuntje van onschuld vormen is niet nieuw in zijn oeuvre. Hij heeft al die elementen in Grijze zielen alleen stuk voor stuk zwaarder aangezet en daarvoor werd hij afgelopen najaar beloond met de Prix Renaudot.

Claudels talent voor het ritme van het verhaal is niet veranderd. Hij kan zijn romans zo doseren dat je op het puntje van je stoel blijft zitten, zo bleek ook uit zijn roman J'abandonne en zijn net gepubliceerde verhalenbundel Trois petites histoires de jouets. Tegen de tijd dat de vertellende politieman in Grijze zielen is beland bij het meest persoonlijke deel van het relaas, over zijn hoogzwangere vrouw die hij alleen thuis laat, voor `De Zaak', wil je hem wel naar huis sláán, wetende wat zich daar voor drama afspeelt. Tergend lang laat Claudel zijn verteller kletsen over, nota bene, bloemen, terwijl thuis `alle klokken gingen stilstaan'. Als lezer ben je door dat gesprek net zo gekweld als de verteller zelf achteraf moet zijn.

Een meesterwerk, dan maar. Al is het maar omdat je als recensent over een boek niet kan beweren wat Claudels held zegt over zijn schrijverij: `Ik kan niet zeggen dat ik er plezier aan beleef, ik kan niet zeggen dat ik er geen plezier aan beleef'.

Philippe Claudel: Grijze zielen. Uit het Frans vertaald door Manik Sarkar. De Bezige Bij, 237 blz. €17,90

</RE>