Wat kraakt die code toch!

Alweer een nieuwe waarheid over het christendom opgediept uit codes en antieke documenten! Niet alleen in de `De Da Vinci Code', ook in talloze andere thrillers duiken culturele 007's de archieven in op zoek naar spanning en spektakel. Het boek is weer een exotisch voorwerp, vol geheimen.

Wist u dat Jezus getrouwd was met Maria Magdalena en dat hun nazaten in Frankrijk wonen? Dat het Vaticaan dit geheim al eeuwenlang angstvallig bewaakt, maar dat Leonardo da Vinci het in Het Laatste Avondmaal via een gecodeerde boodschap prijsgaf? Zo niet, dan bent u een van de weinigen die The Da Vinci Code van Dan Brown nog niet heeft gelezen. Op 18 maart 2003 kwam het boek uit in Amerika, een dag later waren er zesduizend exemplaren verkocht. Na een week stond de teller op 24.000, en nu rouleren er 7,5 miljoen exemplaren van de gebonden Amerikaanse editie: The Da Vinci Code breekt alle records. De thriller staat al anderhalf jaar op nummer één in de New York Times bestsellerlijst, is in veertig talen vertaald en bereikte ook in Nederland de top (besproken in Boeken, 27.02.04). Volgend jaar kunnen we naar The Da Vinci Code – The Movie, met, volgens de laatste berichten, Harrison Ford in de hoofdrol.

The Da Vinci Code legt een verband tussen Vaticaanse complotten en vrouwenonderdrukking, koppelt geheime genootschappen aan oude meesterwerken, maakt van een respectable academicus een onverschrokken 007 en ziet in elk teken aan de wand een verborgen boodschap. Een uitgekiende marketing presenteert het boek als een intellectuele thriller gebaseerd op gedegen onderzoek, wat suggereert dat achter het spannende verhaal een historische waarheid schuil zou gaan. De auteur doet daar nog een schepje bovenop. Onder het kopje `FACT', op een aparte pagina die voorafgaat aan het eigenlijke verhaal, verzekert hij zijn lezers dat alle beschrijvingen van historische documenten, geheime rituelen en kunstwerken `accuraat zijn'. Op zijn persoonlijke website publiceert Brown nog meer `bizarre harde feiten' over personen, locaties en andere zaken uit de thriller, alsof hij nog eens wil onderstrepen dat zijn fantastische theorie toch misschien niet zover bezijden de waarheid is.

Browns critici, en dat zijn er nogal wat, hebben inmiddels gereageerd met zwaar geschut. De aanval werd ingezet op alle fronten: in honderden artikelen in kranten, tijdschriften en op websites, en in maar liefst dertien boeken (met veelzeggende titels als Breaking the Da Vinci Code, Da Vinci Code Decoded en The Da Vinci Hoax). Vooral de research van de auteur moet het ontgelden: die is slordig en gebaseerd op discutabele publicaties van gelovers in schimmige complotten. Browns `harde feiten' worden één voor één met de grond gelijk gemaakt. Het boek staat bol van de fouten, zeggen historici: onjuiste afmetingen van schilderijen, foutieve informatie over leven en werk van Leonardo da Vinci en niet kloppende cijfers over, bijvoorbeeld, slachtoffers van heksenverbranding (hij zegt vijf miljoen, deskundigen houden het op tussen de 30- en 50 duizend). Om nog maar te zwijgen van de weerleggingen door briesende theologen. Het lijkt de auteur, en zijn publiek, allemaal niet te deren.

Hoe uniek het commerciële succes van The Da Vinci Code ook is, het boek komt niet uit de lucht vallen. De afgelopen tien jaar zijn er veel culturele thrillers verschenen die zich afspelen in de wereld van de kunst: spannende verhalen met historische situaties, personages en voorwerpen als inspiratiebron. Negen van de tien keer wordt de schrijver van zo'n boek uitgeroepen tot de nieuwe Umberto Eco. Ruim twintig jaar geleden verscheen diens De Naam van de Roos, een megasucces, zeker na de filmversie uit 1986 met Sean Connery als de monnik-detective William van Baskerville. (In 2000 verscheen de 45e druk van de Nederlandse vertaling!) Daarmee was de literaire, culturele thriller geboren.

Eco's magistrale verhaal – en in wat mindere mate zijn nog fraaiere De Slinger van Foucault – zette de toon voor een nieuwe generatie spannende boeken, met als inzet kunstwerken of oude documenten. Een restaurateur vindt geheime codes op een middeleeuws paneel (Arturo Pérez-Reverte, Het paneel van Vlaanderen); een meesterwerk van Brueghel wordt ontdekt in een Engels landhuis (Michael Frayn, Headlong); een Amerikaanse bibliothecaresse vindt verloren gewaande sonnetten van Aretino (Robert Hellenga, The Sixteen Pleasures) en in een stoffige muziekbibliotheek treft een student aanwijzingen voor een onopgelost mysterie (David Hewson, Lucifer's Shadow). Opgedoken documenten leveren het bewijs voor een snood complot, gesmeed door zeventiende-eeuwse politieke en religieuze topstukken (Monaldi & Sorti, Imprimatur; Iain Pears, An Instance of the Fingerpost); kabbalistische teksten bevatten de sleutel tot een moord uit 1506 (Richard Zimler, The Last Kabbalist of Lisbon) – om een paar voorbeelden te noemen.

Deze culturele thrillers hebben, zowel in onderwerp als vorm, veel gemeen. De hoofdpersonen hebben hun stoffige, wereldvreemde imago van zich afgeschud: de nieuwe sexy helden zijn kunsthistorici, archivarissen, historici, boekverkopers, bibliothecarissen, verzamelaars, dichters en romanschrijvers. Het is vakkennis en vakmanschap dat hun heldendom bepaalt. Hun intellectuele vermogen stelt hen in staat geheime boodschappen in schilderij of manuscript te ontcijferen, en verloren kunstwerken te traceren. Geschiedenis vormt het raamwerk van dit soort boeken. Sommige verhalen zijn in het verleden gesitueerd, met al dan niet historische hoofdpersonen. In andere thrillers komen vandaag en gisteren samen, volgens het stramien `onderzoeker ontdekt eeuwenoud complot'. Of heden en verleden vormen twee parallel lopende verhaallijnen. Het vermogen om de geschiedenis te ontcijferen, om het verleden werkelijk te lezen, is een terugkerend motief in de boeken – of het nu gaat om Eco's De Slinger van Foucault of Browns The Da Vinci Code.

De schrijvers van culturele thrillers hebben een voorkeur voor (fictieve) complotten die in het verre verleden gesmeed zijn, maar waarvan de gevolgen tot in het heden voelbaar zijn. De aanwijzingen daarvoor zitten verstopt in geheime boodschappen in landkaart, schilderij of muziekstuk. Deze thrillers gaan uiteindelijk over het kraken van codes. Op zichzelf is dat een traditie binnen het thrillergenre. Dat geldt overigens niet alleen voor spannende romans maar ook voor non-fictie. Wat te denken van Michael Drosnins geruchtmakende De Bijbelcode uit 1997, of een recente publicatie als The Voynich Manuscript: The Unsolved Riddle of an Extraordinary Book Which Has Defied Interpretation for Centuries, dat ook nog eens de geschiedenis van geheimtalen behandelt. Dat achter de codes in zulke boeken (denk ook aan de Celestijnse Belofte uit 1995) vaak een politieke of religieuze samenzwering schuil blijkt te gaan, of een alternatieve verklaring van het Wereldraadsel, is ook niets nieuws, al is het voor auteurs in deze tijden actueler dan ooit.

Zaten de codes in culturele thrillers eerst verstopt in oude panelen of beeldhouwwerken, nu hebben schrijvers het oude boek en het handschrift ontdekt. Op dit moment ligt een aantal bestsellers in de winkel met historische boeken, handschriften of auteurs in de glansrol. De `bibliothriller' is aan een opmars bezig. Deze boeken hebben weinig meer weg van de traditionele detectiveroman waarin een bibliothecaresse, boekverkoper of uitgever een moord op het spoor komt (de zogeheten `bibliomysteries', nog altijd een populair subgenre in de misdaadliteratuur). Het nieuwe genre van de bibliothriller wijkt duidelijk af in zijn literaire en intellectuele ambities. Er vallen wel doden, maar het is het intellectuele spel waar het werkelijk om gaat. Zijn bibliomysteries de kruiswoordpuzzels, bibliothrillers zijn het cryptogram.

Dergelijke thrillers vragen wel iets van de lezer. Het spanningsveld tussen fictie en realiteit is inzet van het prachtige De club Dumas, of De schaduw van Richelieu van (alweer) Arturo Pérez-Reverte, mede een succes dankzij The Ninth Gate, Roman Polanski's verfilming uit 1999. Boekenjager Lucas Corso biedt zijn speurdersdiensten aan de hoogstbiedende antiquaar of verzamelaar aan. Zijn zoektocht naar een zeventiende-eeuws occult boek (volgens de overlevering geschreven door de duivel) én zijn pogingen de authenticiteit van een handschrift van Dumas te bewijzen, blijken op verontrustende wijze met elkaar te maken te hebben. De bespiegelingen over lezen, intertekstualiteit en literatuur maken van De club Dumas meer dan een intelligente thriller.

Het melodramatische The Shadow of the Wind van Carlos Ruiz Zafón heeft een vergelijkbare thematiek. In het `Kerkhof der Vergeten Boeken' vindt de zoon van een antiquaar een mysterieuze roman die zijn leven ingrijpend zal veranderen; verleden en heden gaan steeds meer door elkaar lopen en daarbij vallen doden. Dat het boek een tragisch liefdesverhaal vertelt, zal de recente populariteit geen kwaad hebben gedaan, maar het is vooral de intellectuele puzzel die de lezers aanspreekt.

Aan het begin van deze zomer dreigde The Da Vinci Code even zijn nummer-één positie te moeten afstaan aan The Rule of Four. In deze roman spinnen auteurs Ian Caldwell & Dustin Thomason een verhaal rond de Hypnerotomachia Poliphili, een van de meest mysterieuze boeken uit de Renaissance. Hun helden zijn twee Princeton-studenten, die er in slagen om de werkelijke auteur van het geschrift te identificeren, geheime codes te ontcijferen en zo de ware betekenis van het boek te doorgronden. Dat gaat niet zonder moord en doodslag.

Een andere megahit is The Dante Club van Matthew Pearl, een elegante historische thriller. In het Boston van 1856 werkt de fictieve `Dante-club' (bestaande uit historische personages zoals de dichters Henry Wadsworth Longfellow en James Russell Lowell) aan de vertaling van Dante in het Engels. In het grootste geheim, want het academisch establishment van Harvard probeert deze `corrumperende' poëzie zo lang mogelijk buiten de grenzen te houden. Als een seriemoordenaar zich laat inspireren door de gruwelijkheden uit de Inferno moeten de vertalers wel in het geweer komen.

Afgelopen juni, tijdens de Maand van het Spannende Boek, werd ook The Intelligencer, het debuut van Leslie Silbert over een gecodeerd zestiende-eeuws manuscript, hevig gepromoot. Hierin beschrijven twee parallelle verhalen de laatste dagen uit het leven van de Engelse dichter-spion Christopher Marlowe, mei 1593, en de avonturen van de geleerde privé-detective Kate Morgan anno nu. Dit houterige debuut werd, net als de eerstelingen van Caldwell & Thomason en Pearl, de hoogte in geprezen om de intelligente plot en de academische geleerdheid.

Het pronken met kennis – in de ene roman hinderlijker dan in de andere – hebben deze boeken met elkaar gemeen. Ook de historische associatie delen ze, al wordt die op verschillende manieren uitgewerkt. En natuurlijk draait alles om een raadselachtige oude tekst.

De auteurs van deze bibliothrillers lijken opmerkelijk veel op elkaar. Ze zijn allemaal in de twintig, en allemaal net afgestudeerd aan topuniversiteiten, waar ze tijdens hun colleges de boeken en handschriften bestudeerden die in hun thrillers centraal staan. Pearl studeerde in Harvard af op de Amerikaanse receptie van Dante in de negentiende eeuw; Silbert schreef tijdens haar studie in Harvard en Oxford over zestiende-eeuwse spionagepraktijken; Caldwell hoorde tijdens een college in Princeton voor het eerst over de Hypnerotomachia, en koketteert in interviews met zijn aanvankelijke onwetendheid: ,,Het eerste wat ik de docent vroeg was: hoe spel je die titel?''

Natuurlijk liften deze jonge academici mee op het succes van de culturele thriller. Ze hebben gezien hoe goed dergelijke boeken in de markt liggen en spelen daar handig op in. Toch is er hier meer aan de hand. Ze kozen niet voor niets voor het oude boek of manuscript als geheimzinnig voorwerp, als sleutel tot een historisch geheim.

In de digitale wereld van alledag is het fysieke boek allang zijn monopoliepositie als informatiedrager kwijtgeraakt. Het draait nu vanaf de schoolbanken allemaal om internet. In zijn succesvolle bibliothriller Codex maakt Lev Grossman intrigerende vergelijkingen tussen het middeleeuwse leesgedrag en de digitale beleving. Hoofdpersoon Edward Wozny, een carrièremaker in de snelle wereld van het geld, krijgt van een excentrieke klant de opdracht diens familiebibliotheek te catalogiseren, waarin hij een geheimzinnig middeleeuws handschrift vindt. Wozny raakt verstrikt in de virtuele wereld van het geavanceerde en raadselachtige computerspel Momus en ontdekt daarin vreemde overeenkomsten met het manuscript. Hij dwaalt als een moderne Alice in Wonderland door een onbekende wereld van papier, waarin hij de signalen en tekens niet kan lezen. Een vriend houdt hem voor dat Momus `veel verder gaat dan boeken. Die bibliotheek waar jij je mee bezig houdt? In onbruik geraakte informatietechnologie!'

Zo'n citaat typeert hoezeer het boek voor jongere generaties een exotisch voorwerp is geworden, een vreemdsoortig object voor ingewijden. Grossman kwam op het idee voor zijn roman tijdens een zomerbaantje bij de Beinecke Library, de collectie zeldzame en oude drukken en handschriften van Yale University. ,,Ik trad binnen in een ongelooflijke vreemde wereld'', zei hij in een interview, ,,ik was nooit eerder in aanraking gekomen met iets dat zo sterk op een heilig voorwerp leek als de boeken in die bibliotheek!'' Zo laat hij ook zijn hoofdpersoon Edward boeken beschrijven als heilige relikwieën, als informatiedragers in een vorm die hij niet gewend is. Als `niet-digitale, niet-elektronische stukjes geheugen' zijn boeken hem volkomen vreemd.

Voor deze generatie auteurs, groot geworden in een digitale maatschappij en vervreemd van het fysieke boek met zijn vergeelde pagina's en leren band, heeft de oude tekst iets ongrijpbaars en mysterieus. Maar het moderne boek is een massaproduct geworden in de schappen van supermarkt en drogist. Je koopt het, leest het, doet het weg. De omloopsnelheid van nieuwe titels is niet bij te benen. Zo heeft dit medium een schizofrene status gekregen, met het moderne boek als een vluchtig wergwerpartikel, en het oude boek als tijdloos relikwie. Net als de kleitablet of de papyrusrol, bestaat dat uit vreemde tekens en onbegrijpelijke lettertypen, die alleen door deskundigen kunnen worden ontcijferd. De nieuwe helden uit de bibliothrillers doen hun speurwerk door zich net zolang in bibliotheken of archieven op te sluiten tot de tekst zijn eeuwenoude geheimen prijsgeeft.

Geschiedenis is de sleutel, niet alleen tot het mysterie in deze romans, maar ook tot hun ongekende populariteit. Geschiedenis verkoopt, als het maar dramatisch en bijzonder is. Historische non-fictieboeken worden gepresenteerd alsof het thrillers zijn, met titels als Batavia's Graveyard: The True Story of a Mad Heretic Who Led History's Bloodiest Mutiny of Out of the Flames: The Story of One of the Rarest Books in the World, and How It Changed the Course of History. Televisiemakers en filmproducenten scoren met historische onderwerpen, zolang die maar spanning en sensatie bieden. Die spanning ligt in de onopgeloste raadsels en obscure geheimen uit het verleden.

Het is niet zoals het lijkt, suggereren de culturele thrillers: we zijn op lange tijd op het verkeerde been gezet, maar dankzij onze nieuwe helden kunnen we eindelijk de codes in boek en schilderij ontcijferen, de samenzwering ontmaskeren, het `ware' verhaal vertellen. Of dat verhaal echt is of vals, feit of fictie, maakt uiteindelijk de lezer uit. Die bepaalt wie geschiedenis schrijft: The Da Vinci Code of toch The Da Vinci Hoax.

Pagina 2: Zeven vragen over de Da Vinci Code

</RE>