Uitkering aan tv-makers

Wie vaak op de televisie verschijnt, kan daarvoor elders veel geld vragen. Zo bleek onlangs een nieuwslezer in vaste dienst van het Journaal bij een andere pseudo-overheidsinstelling in twee jaar twee ton euro te hebben bijverdiend. Daardoor rijst automatisch de vraag in wiens dienst hij nu eigenlijk stond. Uit een onderzoek van het tv-programma Reporter bleek dat er een praktijk bestaat van bekende presentatoren van de publieke omroep die bij de uitkeringsinstelling UWV als adviseur, dagvoorzitter en gespreksleider fungeren.

Dat bedrijven veel geld voor de wereld van beeld en imago over hebben is hun verantwoordelijkheid. Maar een overheidsinstelling die zuinig hoort te zijn, zou beter moeten weten. Van de nogal hoge uitgaven voor verbouwing en inrichting waarmee UWV eerder in het nieuws kwam, kan nog gezegd worden dat je op dure wc's tenminste kunt zitten. Maar is twee ton presentatiekosten voor tv-bekendheid ook goed besteed? Of zouden er ook billijker geprijsde dagvoorzitters te vinden zijn: wie weet de onbekende mediatrainer die de presentator z'n vak heeft geleerd?

Hoge beloningen van ministeries maken bekende journalistieke presentatoren van de publieke omroep financieel afhankelijk van de overheid. Dat is bedenkelijk, want bij omroepen die worden betaald door de overheid kan de afstand tot de politiek beter groot dan klein zijn. Als een journalistieke presentator 's avonds een minister interviewt die hij zelf eerder voor tv-optredens trainde, heeft hij als journalist de schijn tegen. Dagvoorzitter zijn bij een ministerie is een minder verplichtende rol dan adviseur, maar ook daar gaat het – zoals bij elke bijbaan – om de mate waarin en de manier waarop.

Vergeleken met bekende persoonlijkheden uit de publieke omroep zijn journalisten van de schrijvende pers kleine krabbelaars. Toch spelen de hoofdbrekens bij het Journaal over achteraf bedenkelijke, niet gemelde schnabbels bij elke redactie – ook die van deze krant.

Journalisten zijn geen kloosterlingen, maar dat wil niet zeggen dat er geen grenzen zijn aan hun vrijheid om voor andere opdrachtgevers werk te verrichten. De discussie over transparantie en verantwoording van media naar het publiek komt nu op gang. Dat is toe te juichen. De journalistiek was jarenlang gewend alleen aan zichzelf te refereren.

Een al of niet betaalde eenmalige of parttime nevenfunctie in de vrije tijd kan voor een journalist een verrijking zijn. Een mogelijkheid tot achtergrondinformatie door zonder opschrijfboek in de samenleving mee te doen. Maar zo'n nevenfunctie mag niet leiden tot een eigen financieel of intellectueel belang op het terrein waar de journalist voor zijn medium actief is. Een bijbaan moet een bijbaan blijven. De journalist moet er makkelijk afstand van kunnen doen. De burger moet op diens onafhankelijkheid kunnen blijven vertrouwen.

Openheid over nevenfuncties en freelance werk is een deugd. Journalisten die hun nevenwerkzaamheden verzwijgen, aarzelen deze te onthullen, of de omvang goedpraten, demonstreren zo haarfijn dat zij daarin kennelijk al te ver zijn gegaan. Voor een beroepsgroep die een fijne antenne zou moeten hebben voor integriteit en belangenverstrengeling, is dat bedenkelijk. Journalisten dienen immers in beginsel alleen een publiek belang – wie naar de vleespotten van de vrije markt wil kan die keuze maken, maar wel met open vizier. Het publiek moet te allen tijde kunnen vertrouwen op de loyaliteit van de journalist. Die hoort te liggen bij de burger en het algemeen belang. Nergens anders.