Opinie

    • Japke-d. Bouma

Ja, mannen met katten zijn leuker

Japke-d. Bouma onderzoekt wekelijks de verschillen tussen mannen en vrouwen. Zijn ze groter of kleiner dan we denken? Deze week: honden en katten

Ik vind de typering ‘kattenvrouwtje’ altijd heel oneerlijk. Omdat het zonder uitzondering denigrerend bedoeld is. Het zijn vrouwen „op leeftijd”, vrijgezel – „natuurlijk”, zo wordt dan geschamperd – met weinig anders om voor te leven dan Facebook en dus die katten. Een kattenvrouwtje is sneu, is de boodschap.

Wat ik er oneerlijk aan vind, is dat er geen ‘kattenmannetjes’ bestaan. Sterker nog, een vrijgezelle man met katten krijgt zelfs een positieve diepere laag toegedicht: gevoelig, intellectueel, een tikje mysterieus en goed in bed, ik noem hier een James Dean. Een kat kan een man zelfs een gevaarlijk randje geven, kijk naar James-Bond-schurk Blofeld.

Dat is trouwens ook gewoon de waarheid: mannen met katten zijn spannender dan mannen zonder. En romantischer, geduldiger, creatiever, knuffeliger, slimmer, grappiger, onafhankelijker én ze kunnen beter aaien. Ze zijn ook een stuk leuker dan mannen met honden, dat blijkt ook uit allerlei hard wetenschappelijk onderzoek dat ik nu even niet paraat heb, maar iedereen weet dat dat zo is.

Maar goed, van vrouwen wordt dus niet gezegd dat ze leuker zijn mét katten dan zonder.

Datzelfde zie je met paarden. Als meisjes stoer over het strand galopperen worden ze denigrerend ‘paardenmeisjes’ genoemd, als jongens dat doen zijn ze stoer, cowboy of allebei. En met honden. Zie je een man lopen met zijn hond, dan heet dat heel krachtig en plechtig „one man and his dog”, terwijl een vrouw met een hond toevallig even haar huisdier aan het uitlaten is.

Vrouwen voeden op, ruimen de rommel op, laten uit en worden voor sneu versleten

Een vrouw is sowieso bijna altijd het haasje als het om huisdieren gaat, zegt dierenfluisteraar en hondenexpert Martin Gaus als ik hem erover bel. Hij runt een hondenacademie waar hij hondentrainers opleidt en hondenbezitters helpt met opvoedproblemen – „we zijn hier een soort Riagg”.

Hij ziet vaak dat mannen een hond aanschaffen voor het gezin, maar dat de vrouwen hem dan moeten uitlaten „omdat de man binnen zit met zijn pantoffels”. Het zijn ook veel vaker vrouwen dan mannen die willen leren hoe je honden moet opvoeden, zegt Gaus. Als het een tekkeltje is willen mannen daar vaak niet eens mee gezien worden. „Dan vinden ze dat ze voor lul staan.”

Wat Gaus ook opvalt: vroeger waren het vooral mannen die honden wilden leren trainen, tegenwoordig zijn de instructeurs die bij hem in opleiding zijn bijna louter vrouwen. Dat komt, zo denkt hij, doordat het opvoeden van honden tegenwoordig veel meer is gericht op het belonen van goed gedrag dan het straffen van slecht gedrag. Vroeger temde je een hond min of meer, Gaus deed daar zelf trouwens ook aan mee, hoor. Het nieuwe inzicht is dat je meer bereikt met geduld, empathie en compassie. „En vrouwen zijn daar beter in”, zegt Gaus. „Mannen vinden dat vaker maar week gedoe.”

Wat míj opvalt: waar je juist wél weer vaker mannen met dieren ziet: op tv. Gaus is daar natuurlijk een voorbeeld van, maar ik noem ook een David Attenborough en een Freek Vonk.

Conclusie: vrouwen voeden op, ruimen de rommel op, laten uit en worden voor sneu versleten – mannen strijken met de eer.

Tips via @Japked op Twitter.

    • Japke-d. Bouma