Sporters lopen niet te koop met hun faalangst

Onder de kop: `Falen, dat doe je echt zelf' (NRC Handelsblad, 13 augustus), poneert Jerôme Inen een aantal uitspraken die zo luid rammelen dat ze niet meer kúnnen kloppen. Hij zegt onder andere: ,,Maar het mentale aspect is méér geworden dan wat het is: een deel van het geheel. Het is nu het begin en het eind van prestaties, een mystificatie.''

Ja, met een paar woorden lijk je er zo meer van te maken, maar wat is hier nu de mystificatie? Misleiding, dus? Inen betoogt dat het tegenwoordig bon ton is bij falen de vinger op de mentale kwestie te leggen, in de sportwereld, in het artistieke milieu en onder het topmanagement. Inen: ,,Het motief om prestaties mentaal te duiden is: zelfbescherming. We horen niet zo graag dat we iets niet zo goed kunnen als we dachten.''

En dat is mijns inziens nu juist niet het geval. Mijn ervaring als sportpsycholoog leert dat verreweg de meeste mensen per se niet te koop lopen met hun gebrekkige ego dat tot falen leidt als het erop aankomt, zeker niet in de sportwereld. Meer dan 90 procent van de lange stoet topsporters die bij mij langskwam had één klacht: niet in staat 100 procent te zijn als het moet. Inen, onder andere tennisleraar, beveelt aan dat meer oefenen op techniek dan de meest voor de hand liggende remedie is. Want hoe beter de techniek, des te meer is de sporter beschermd tegen narigheden, zoals last van zenuwen, of griep! Miranda van Kralingen kan zelfs nog zingen als ze griep heeft, omdat haar techniek zo goed is, beweert Inen. Ja, zo lust ik er wel pap van. Er zijn zelfs wielrenners die met gebroken wervels of andere gebroken botten de Tour de France rijden. Kwestie van betere techniek?

Wel ben ik het met hem eens dat momenteel veel personen in de hogere echelons koketteren met hun individuele coach. In de sportwereld is de coach bijna per definitie een gegeven. Maar een sporter koketteert niet met zijn coach omdat het hem zo slecht vergaat, maar omdat het dan misschien nog een heel klein beetje beter kan. Dat is typisch voor een topper die streeft naar perfectie, het is het typisch Amerikaanse model.

Harder trainen op de service, zegt Inen tegen een leerling die in oefenpartijen geweldig serveert, maar in wedstrijden grossiert in dubbele fouten. Wat hier onmiddellijk opvalt, is natuurlijk dat iemand die zo goed kan serveren qualitate qua ook moet beschikken over de daartoe benodigde techniek. Een gebeitelde techniek: het kenmerk van alle techniek. Techniek die nog nauwelijks training behoeft – gebeiteld, tenzij!

Wladimir Horowitz, onbetwist een der allergrootste pianisten uit de vorige eeuw, verdween lange tijd (veertien jaar? Hij maakte in die tijd wel studio-opnamen) van de concertpodia, louter uit angst te falen voor publiek. Gaat u maar toonladders oefenen!

Het zijn meestal juist de faalangstige tobbers die maar al te vaak heil zoeken in meer en harder trainen, totdat het helemaal fout gaat. Gebrek aan inzicht en zelfvertrouwen gaat meestal samen met gebrek aan discipline.

Intens verbaasd was ik bij het lezen van Inens slotzinnen: ,,Hulde voor de sporter, Nederlands of niet, die straks na te hebben gefaald op de Olympische Spelen zegt: ik kan dit niet. Nog niet. Want dan is er altijd nog hoop.'' (Want je kan op training altijd nog een rondje meer lopen).

Of het is ronduit te zot dat deze sporter daar is verschenen, of hij sprong tijdens de training wel degelijk 9 meter ver, wat je moeilijk als stom toeval kunt bestempelen. Dan zou het een harde les inhouden: ik kan dit wel, maar nog niet hier. Dan is er nog hoop.