Somber, compromisloos dichter

De grootmagiër van de Nederlandse taal is niet meer. Dinsdag overleed dichter en schrijver Kees Ouwens op 60-jarige leeftijd in Heemstede. Ouwens streed tot het bittere eind tegen zijn ziekte, die hij in een gesprek met deze krant vorig jaar ,,een akkefietje'' noemde. Hij werkte nog aan een nieuwe dichtbundel en roman. Zijn verzameld werk verscheen met kenmerkende titels: Alle gedichten tot dusver, Alle romans tot dusver.

Ouwens wordt algemeen beschouwd als de meest ondoordringbare en complexe dichter van ons taalgebied. Zelf bestreed hij dit. Hij vond dat hem onrecht werd gedaan. Uit spotlust nam hij daarom in Mythologieën een kladversie op, `Voorproef', vlak na ,,het eigenlijke gedicht'', zo verklapte hij vorig jaar. Dat critici deze ,,gevoelsuitstorting'' bejubelden – niet meer dan aantekeningen in zijn ogen – stelde hem teleur.

Feit is dat zijn volstrekt buitenissige en eigenzinnige oeuvre evenveel momenten van transparantie als van geslotenheid kent. Zijn romantisch-realistisch debuut Arcadia, uit 1968, staat nog sterk onder de invloed van het archaïsch-ironisch taalgebruik van Reve. In Aan de beek, uit 1975, experimenteert hij uitbundig met de taal, maar de bundels uit de jaren tachtig, Klem en Droom, zijn weer conventioneler van stijl. Ouwens herneemt zijn compromisloze taalexperimenten met Afdankingen (1995). De rekbaarheid van het Nederlands wordt tot het uiterste getest, de taal tot de grond aan afgebroken en dan liefdevol weer in elkaar gezet. Voortdurend schendt hij woordfuncties en -categorieën: zelfstandig naamwoorden worden werkwoord en omgekeerd, werkwoorden worden wederkerig gemaakt en omgekeerd. Een gedicht uit Mythologieën (2000) begint zo: `ik, die mij verlaten heb, verkwanseld aan de afwendingen./ wat mij toekwam deugde zo, dat ik én dorstte én drenkte./ herinner mij onweerstaanbaar, wolkenloze, mij, zonlichtbevlekte.' Die vernieuwingsdrang maakt het werk tot een krachtproef van de verbeelding. Wie er aandacht voor heeft wordt rijkelijk beloond met formidabele, magische dichtregels. In het laatste gedicht van Mythologieën knipt hij bijvoorbeeld een woord in tweeën: `Zo, dat dit de hersen de schors pelde/ als een bewolking'. Het is een overtreding van de taalwetten die poëzie van grote schoonheid oplevert. Over dat losknippen zei Ouwens: ,,Dat was een inval en die benut ik. Ik zet de spelregels naar mijn hand. Het is geen opzet. Ik saboteer zinnen niet door grammaticale ingrepen achteraf. Ik wil graag mooie, frapperende zinnen schrijven, om mezelf een plezier te doen.''

In zijn van erotiek en eenzaamheid doortrokken oeuvre bouwde Ouwens aan zijn hoogstpersoonlijke mythes: de pogingen tot mystieke eenwording met vrouw en natuur, de bekoorlijkheden van het licht en de zee, de idylle van zijn jeugd. Ouwens groeide op in een rooms-katholiek gezin in Zeist, waar zijn vader werkte bij het politiekorps. Het huis grensde aan open landschap. Tijdens zijn zwerftochten door de natuur vond hij harmonie en kalmte. Het leidde tot een geluksgevoel, zei hij, ,,dat zich sindsdien niet meer heeft voorgedaan. Niet in die vorm en niet in die mate. Vandaar dat ik er nog steeds uit kan putten''.

De grondtoon van zijn werk is zeer somber, de dichter is zich voortdurend bewust van de ontoereikendheid van het bestaan. In Droom wijt hij dat ook aan zijn afscheid van het geloof en van maatschappelijke idealen in de jaren zestig. In zijn ,,reis naar binnen'' werden de gedichten steeds nauwer betrokken op de eigen identiteit.

De `poets poet' kreeg veel prijzen, onder meer de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre in 2002 en de VSB-prijs voor Mythologieën. ,,Ik heb dit werk niet tevergeefs gedaan, dus niet alles is tevergeefs in het leven.''