Servië neemt opnieuw afstand van tribunaal

De Servische premier, Vojislav Koštunica, heeft gisteren op een persconferentie in Belgrado gezegd dat de vier ex-generaals, wier uitlevering door het Joegoslavië-tribunaal wordt geëist, ,,beter in eigen land kunnen worden berecht''. Dat meldt het nieuwsbulletin VIP. Het was de eerste keer dat Koštunica zich als regeringsleider over het tribunaal uitsprak.

Koštunica zei dat Ratko Mladic, de voormalige legerleider van de Bosnische Serviërs die met de vroegere politieke leider van de Serviërs in Bosnië, Radovan Karadzic, de lijst van verdachten van het Joegoslavië-tribunaal aanvoert, zich niet in Servië bevindt. ,,Zeer geloofwaardige onderzoeken'' hebben dat volgens Koštunica aangetoond. Zijn bewering is – zo tekende VIP aan – in strijd met een recente opmerking van de Servische president, Boris Tadic. Deze zei vorige week in een vraaggesprek met een krant dat Mladic zich volgens het leger en de politie schuilhoudt in het grensgebied tussen Servië en Montenegro.

Koštunica zei ook dat Goran Hadzic, voormalig leider van de Kroatische Serviërs, ,,simpelweg is verdwenen'' op de dag waarop het Joegoslavië-tribunaal de aanklacht tegen hem openbaar maakte.

De Servische premier maakte van de gelegenheid gebruik om te pleiten voor de berechting van verdachten van oorlogsmisdaden door nationale rechtbanken in plaats van door het VN-hof in Den Haag. ,,Het is de hoogste tijd dat processen tegen oorlogsmisdadigers worden overgedragen aan nationale rechtbanken'', zo zei hij. Dat zou volgens hem moeten gebeuren met de processen tegen de vier voormalige Servische generaals – twee van het leger en twee van de politie – die door het Joegoslavië-tribunaal worden opgeëist. Zij worden beschuldigd van oorlogsmisdaden in Kosovo, voor en tijdens de oorlog van 1999.

Het gaat bij dit kwartet om Nebojša Pavkovic, voormalig stafchef van het Joegoslavische leger, Vladimir Lazarevic, voormalig commandant van het legerkorps in de Kosovaarse hoofdstad Priština, oud-politiegeneraal Vlastimir Djordjevic, inmiddels ondergedoken en mogelijk verblijvend in Rusland, en oud-politiegeneraal Sreten Lukic, in 1999 chef van de politie van Kosovo en na de val van president Miloševic in de herfst van 2000 onderminister van Binnenlandse Zaken.

Het pleidooi van Koštunica voor bereichting van de vier in Servië komt volgens waarnemers neer op een nieuw bewijs dat Servië niet met het Joegoslavië-tribunaal wil samenwerken. Het nieuwsbulletin VIP schreef dat Koštunica er van uitgaat dat de internationale consequenties zullen meevallen. Koštunica zou menen dat de internationale gemeenschap er belang bij heeft dat zijn regering in haar huidige samenstelling overleeft, omdat het alternatief veel erger zou zijn: een coalitieregering van de ultra-nationalistische Servische Radicale Partij en de nieuwe partij van de zeer omstreden multimiljonair Bogoljub Karic, Kracht van Servië (PSS). Ook de Servische vice-premier Miroljub Labus gaat van die opvatting uit. Hij zei niet te verwachten dat er sancties tegen Servië worden genomen wegens een wat hij noemde ,,tijdelijke verslechtering'' van de betrekkingen met het tribunaal in Den Haag.(VIP)