Schilderijen stelen

Een van de beste kunstfoto's die ik ooit heb gezien, staat op de voorpagina van deze krant, 23 augustus, bovenaan, over zes kolom. Drie dieven zijn daar hard aan het werk. Twee lopen op een drafje met de buit door een grasveldje, de derde is bezig, de achterklep van de vluchtauto open te maken. Die is een meter of vijf verder geparkeerd, bij een bordje waarop staat dat daar niet mag worden geparkeerd. (Foto AFP) meldt het onderschrift. Welke fotograaf van Agence France Press was in Oslo, precies op het goede moment op de juiste plaats aanwezig, om deze belangrijke fase in de roof van een van de beroemdste schilderijen ter wereld vast te leggen? In ieder geval een groot talent.

Om twee redenen is dit een kunstfoto. Omdat er kunst wordt geroofd. En vooral omdat het zo'n mooi geheel is, het geboefte in volle actie op het keurig gemaaide grasveldje, tegen deze achtergrond van moderne welvaartstaatarchitectuur, waar de mens van alle kwaad bevrijd is. In het museum hebben de dieven gewapenderhand bezoekers en bewakers gesommeerd op de grond te gaan liggen. Toen de schilderijen van de muur gehaald. En daar rennen ze weg met De Schreeuw en Madonna van Edvard Munch. Sindsdien niets meer van gehoord.

Hoe komt iemand ertoe zulke beroemde schilderijen te roven? Ze zijn onverhandelbaar. Het enige antwoord is dus dat de dieven de meesterwerken in gijzeling hebben genomen, en dreigen met verminking of vernietiging als er niet binnen zekere tijd losgeld wordt betaald. Dat klinkt binnen de grenzen van de criminaliteit redelijk. Maar kunstdieven zijn dom, zegt Edward Dolnick, die een boek heeft geschreven over de vorige keer dat De Schreeuw werd gestolen, in 1994. Scotland Yard kwam erbij, en na drie maanden was het schilderij terug, zonder dat het de dief enig voordeel had opgeleverd.

Dolnick stelt zich een museum voor waar alleen gestolen kunst te zien zou zijn. Even groot als het Louvre, met 551 Picasso's, 43 Van Goghs, 174 Rembrandts en 209 Renoirs. Er zou werk van Vermeer, Caravaggio, Van Eyck en Cézanne hangen. We zijn het vergeten, maar in 1911 werd de Mona Lisa gestolen. En in 1986 uit het museum in Dublin de Vrouw die een brief leest, van Gabriel Metsu. Dit schilderij werd in 1990 ontdekt in Istanbul, toen de dief het probeerde te ruilen tegen een scheepslading heroïne. Dit alles volgens Dolnick, in de International Herald Tribune, van 25 augustus. De lelijke waarheid over degenen die schoonheid stelen.

Bij De Schreeuw kun je dan nog aantekenen, ongeacht of dat ten voordele of in het nadeel van de rovers is, dat ze in ieder geval marktgevoelig te werk zijn gegaan. Volgens de kunstkritiek staat het vast dat Munch in alle versies een schreeuw van wanhoop heeft geschilderd. Waardoor de wanhoop is veroorzaakt is langzamerhand van minder belang dan dat de wanhoop er zo duidelijk in wordt herkend. Zo is het schilderij wereldberoemd geworden. En als die mate van beroemdheid eenmaal is bereikt, wordt merchandising onvermijdelijk. Twee jaar voor de eerste diefstal kon je in de pret- en fopwinkels in New York al ballonnetjes, opblaaspoppen en hoofdkussens met de afbeelding kopen. Made in Taiwan. Na een paar jaar had deze productie ook Nederland bereikt. En onder zulke omstandigheden wordt door een diefstal de verkoop stevig gestimuleerd. Op de vrije markt kan wanhoop tot handel worden en in zijn tegendeel verkeren. Maar hoe dan ook, het blijft handel.

Toen De Schreeuw voor de eerste keer werd gestolen, was het ostentatieve schreeuwen in de sport al een paar jaar aan de gang. Intussen is het gemondialiseerd. Zoals nu weer op de Olympische Spelen te zien is: wie het een of ander heeft gewonnen, spert zijn mond wagenwijd open en laat zijn ontzaglijke triomfkreet los. Onafhankelijk van nationaliteit en politieke of geloofsovertuiging: geen zege zonder schreeuw. Daar zou ook nog eens een mooi schilderij van gemaakt moeten worden.

Maar nu wil ik nog iets ter mogelijke verdediging van de kunstdief zeggen. Althans, het is denkbaar dat iemand een schilderij van de openbare muur haalt omdat hij het zo mooi vindt dat hij de aanblik met niemand wil delen. In het geheim zal hij zich voortaan verzadigen. Dat is een extreme vorm van jaloezie; zeer ongewoon, een soort vrijheidsberoving, maar niet onder te brengen bij de misdadigheid die de gebruikelijke kunstdief wordt toegeschreven. Het is de uiterste artistieke hebzucht.

En dan hebben we een heel andere kant, vertegenwoordigd door rijke kunstverzamelaars die nog tijdens hun leven van hun hele collectie een openbaar museum maken, niet uit ijdelheid maar omdat ze hun inzichten in wat mooi is willen propageren. In het uiterste geval zijn ze artistieke dictators, maar ook niet misdadig. Integendeel: weldoeners van het volk, zoals au fond alle dictators zichzelf zien.