Opgekrabbeld uit de vergeetput

Op bladzij 41 van Celestien. De gebenedijde moeders, de nieuwe roman van Monika van Paemel, wordt de toon gezet. Daar laat zij haar titelheldin Celestien een categorische uitspraak doen over mannen en vrouwen. `Mannen kunnen zo gewichtig doen over hun sekse, alsof die hun eigen uitvinding is', zo staat daar wat meewarig. `Maar het echte wereldwonder blijft, wat mij betreft de vrouw die leven geeft.' Egocentrische mannen tegenover barende en zogende vrouwen. Dat is een van de terugkerende thema's in het werk van Van Paemel.

In 1985 vestigde zij haar naam bij een groter lezerspubliek met de roman De vermaledijde vaders, een deels op eigen ervaringen berustende, breed opgezette en omvangrijke familiegeschiedenis, waarin de oorlog een allesoverheersende rol speelde. `De heren' werden daarin verantwoordelijk gesteld voor het uitbreken van de oorlog en voor de vele doden die er vielen. Het Vlaamse dorp Vinkt, waar in mei 1940 door de Duitsers een bloedbad werd aangericht, stond model voor alle gruwelijke oorlogshandelingen.

Bijna twintig jaar later was het blijkbaar tijd voor een tegenhanger van deze `feministische oorlogsroman', zoals De vermaledijde vaders wel is gekarakteriseerd. De heren zijn in de tussentijd niet veel veranderd, als wij Van Paemel mogen geloven. Zij richt haar blik nu niet meer op het krijgsbedrijf zelf, maar op het thuisfront. De oorlog is er nog steeds, maar dan in een meer huiselijke variant: gewonden die naar huis komen gestrompeld, wapens die in provisiekasten verstopt liggen, achterkamertjes waar onderduikers zich schuil houden, hoogoplopende conflicten tussen familieleden over de keuze tussen collaboratie en verzet – conflicten die ook nog ruim na 1945 blijven voortsudderen en tot nieuwe troebelen leiden.

Celestien is net zo omvangrijk, maar een stuk gewoner dan De vermaledijde vaders. In 1985 wilde Van Paemel laten zien wat ze allemaal kon. Dat ze net als Boon met De kapellekensbaan en Claus met Het verdriet van België een grote familieroman kon schrijven die ook over België als geheel ging. Dat ze heel ongelijksoortige verhalen kon vertellen, in uiteenlopende stijlen en registers. Dat ze een meervoudig perspectief aankon en toch de draad van het geheel niet kwijtraakte. Celestien is simpeler en ongecompliceerder. En daarmee ook meteen een stuk eentoniger en saaier, al is het zeker zo dat dit moederboek toegankelijker is dan het interessantere, maar ook aanmerkelijk stroevere vaderboek.

Naar huis

Van Paemel is teruggekeerd naar huis, kun je zeggen, na uitstapjes naar Israël (De eerste steen, 1992), de Noordpool (Rozen op ijs, 1997) en het voormalige Joegoslavië (Het verschil, 2000). Haar Vlaamse achtergrond viel hierin ook wel te bespeuren, maar dan toch ingebed in andere verhalen, met andere accenten. Ook in stilistisch opzicht lijkt ze met Celestien weer op vertrouwd terrein te zijn beland. De houterigheid die in vorige boeken wel eens stoorde, net als de gewrochte beeldspraak, heeft hier plaatsgemaakt voor een lossere aanpak. Frisse spreektaal bezigt ze hier, met een korzelige ondertoon, die aan duidelijkheid weinig te wensen overlaat. Regelmatig moest ik denken aan Leo Pleysier, die op een vergelijkbare, pratende manier over Vlaamse familiezaken schrijft.

De vrouwelijke stem is hier oppermachtig. Als het criterium van de vrouwelijke stem niet onlangs was komen te vervallen, dan had Van Paemel alleen al met Celestien hoge ogen gegooid voor de eerstvolgende Anna Bijnsprijs. Aan het woord is Celestien, ruim vijfhonderd bladzijden lang, over alle mogelijke huiselijke besognes. Zij doet uitgebreid verslag van haar ervaringen als inwonend huishoudster van de familie Van Puynbroeckx. Zij diende de familie vanaf haar veertiende. Zij bleef dit doen tot de dag waarop zij, tegen haar zin, door de jongste zoon naar een bejaardenoord werd gebracht. In `Welverdiend', zoals het tehuis heet, likt zij haar wonden. Zij voelt zich `oud en opzijgezet'. Ze was graag, na de dood van zijn vrouw, bij Augustijn, de oude Van Puynbroeckx, blijven wonen, maar de kinderen beschikten anders. Nu zij in het bejaardentehuis zit te kniezen, realiseert ze zich pas wat ze tijdens haar lange, dienstbare leven heeft moeten verdragen. Want zij zag en hoorde wel van alles, maar mocht nergens over meepraten. Met lede ogen moest zij toezien hoe Augustijn, aan wie zij haar hart heimelijk had verpand, trouwde met `Madame'. Terwijl Madame de familiezaak draaiende hield, verzorgde Celestien de vier kinderen. `Kinderen binden je terwijl zij zich vrijvechten', verzucht ze in de terugblik. `Jij mag je hart opvreten, bidden en smeken, zij hebben hun eigen belang. Dat kan ik billijken; maar niet dat ik in een vergeetput word gegooid, niet dat ik word ontkend.'

Uit die vergeetput krabbelt Celestien weer op. In geuren en kleuren beschrijft ze hoe de kinderen, een meisje en drie jongens, opgroeiden, met alle streken vandien, en tenslotte op zichzelf gingen wonen. En hoe ze vervolgens geen van allen gelukkig werden. Moeizame huwelijken, zelfmoord, invaliditeit. Wat viel er ook te verwachten van een familie die `puin' in zijn naam voert? Aanvankelijk is Celestien boos en verbitterd over wat haar door de familie is aangedaan, maar al peinzend komt ze tot de ontdekking dat het leven welbeschouwd niet zoveel voorstelt, dat het niet veel meer is dan `een opeenstapeling van allerlei gebeurtenissen' zonder al te veel betekenis. Dan dringt ook tot haar door dat Madame en zij wel eens onenigheid hadden, en dat er een zekere rivaliteit tussen hen was, maar dat zij één lijn trokken als het erop aankwam en altijd maar weer als verstandige vrouwen probeerden de huiselijke vrede te bewaren.

Celestien is kwistig met woorden. Uit haar overvolle gemoed borrelen ze vanzelf op, in betrekkelijk willekeurige volgorde, zo lijkt het. Alles zullen we weten en liever dubbelop dan te weinig. We maken regelmatig een sprong in de tijd. Celestien jaagt ons van schuilkelder naar kraambed, van crisistijd naar Eerste Wereldoorlog, van bejaardenhuis naar haar jonge jaren. Geen detail wordt gespaard op huishoudelijk en lichamelijk gebied. De lintworm van Bertje, de grote borsten van Madame, de uitpuilende ogen van Herwardje na zijn verdrinkingsdood, het geredder met potten en pannen, dweilen en poetslappen, het gebit van Augustijn, de prothese van Celestien, de poep van Angelique, de emmer met pies van de Mayers die bij de familie ondergedoken zaten, – niets ontsnapt aan de moederlijke aandacht. Alles is even belangrijk en wordt van minutieus commentaar voorzien. Onduidelijk is wat Van Paemel hier precies mee voorheeft. Een ode brengen aan de brave huismoeder? Een lans breken voor vrouwelijke opofferingsgezindheid? Laten zien hoeveel werk het wel niet allemaal was voor die arme sloven?

Surrogaatmoeder

Vreemd is ook dat Van Paemel het gebenedijde moederschap laat vertegenwoordigen door een kinderloze, ongetrouwde vrouw, die hooguit voor oppas- of surrogaatmoeder door kan gaan. Al klopt het in zekere zin wel vanuit de katholieke traditie: Maria, moeder van God, gezegende onder de vrouwen, was immers ook maagd. En ergens in haar lange relaas merkt Celestien (een naam die haar `hemelse' status nog eens bevestigt) op dat zij `ingetreden' is bij de familie Van Puynbroeckx, als een soort non dus. Toch is het een merkwaardige boodschap. Als ik het goed begrijp zijn alleen maagdelijke moeders, onbesmet met het mannelijke oorlogsvirus, in staat om tegenwicht te bieden aan de vermaledijde vaders.

Als dat zo is, dan ziet het er beroerd voor ons uit. Of zou Van Paemel willen zeggen dat álle vrouwen per definitie gezegende moeders zijn omdat zij door het vermogen om leven te kúnnen geven al boven iedere verdenking verheven zijn? Ik help het haar hopen: dat in elk geval de helft van de mensheid niet geneigd zou zijn tot oorlog, of tot het kwaad in het algemeen. Harde bewijzen voor deze stelling zijn nog altijd niet geleverd. Ook niet in deze dikke, maar rijkelijk eenzijdige roman.

Monika van Paemel: Celestien. De gebenedijde moeders. Meulenhoff, 544 blz. €22,50