Nooteboom is the greatest

Begin oktober wordt bekend wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Welke taal is aan de beurt? Ons eerste voorstel: het Nederlands.

Op de negentigste verjaardag van de IJslandse schrijver Halldór Laxness (1902-1998) verzamelden zijn eilandgenoten zich bij zijn huis buiten Reykjavik. Tientallen schrijvers, filmers, acteurs en andere kunstenaars brachten daar een hommage aan de eerste en enige IJslandse Nobelprijswinnaar voor Literatuur: op creatief beschilderde spandoeken toonden ze aan de oude schrijver (en de toegestroomde media) de titels van de verhalen, gedichten, toneelstukken en romans waarmee Laxness beroemd was geworden.

IJsland had reden om dankbaar te zijn. De toekenning van de hoogste literaire eer aan Laxness, de schrijver van epische romans als Onafhankelijke mensen en Het visconcert, had in 1955 het IJslands op de kaart gezet. De `kleinste' Scandinavische taal, die wordt gesproken door ongeveer 250 duizend mensen, sprak in één klap internationaal een woordje mee. Het was voor het eerst sinds 1904 (toen Frédéric Mistral werd gelauwerd voor zijn poëzie in het Provençaals) dat de Nobelprijs in zo'n klein taalgebied viel. En een halve eeuw na dato is het IJslands nog steeds nummer één in de denkbeeldige Nobelprijs-toptien van succesvolste talen – op ruime afstand gevolgd door het Deens, dat met vijf miljoen native speakers kan bogen op vier Nobelprijswinnende schrijvers. Alleen de bekroning van een Letzebourgse romancier of een Yanomami-dichter zou daar nog iets aan kunnen veranderen.

Honderd schrijvers hebben sinds 1901 de Nobelprijs voor literatuur gekregen; en omdat de Zweedse Academie zich doorgaans laat leiden door literaire kwaliteit en internationale bekendheid zijn de laureaten niet evenwichtig over de verschillende taalgebieden verdeeld. Het zal niemand verbazen dat Engels de lingua franca van de Nobelprijswinnaars is, en ook niet dat Frans, Duits en Spaans daarna het populairst zijn. Het Nobelprijscomité heeft zich heel lang Eurocentrisch opgesteld; de eerste laureaat uit een ander continent was de Bengaalse dichter Rabindranath Tagore (1913), en vervolgens zou het tot 1930 duren voordat de eerste Amerikaan (Sinclair Lewis) bekroond werd. De eenkennigheid van de jury wordt trouwens nog beter geïllustreerd door het feit dat in de afgelopen eeuw maar liefst veertien Scandinavische schrijvers naar Stockholm werden geroepen – een mooie score voor een gebied dat nog geen kwart van de inwoners van Duitsland heeft.

Tussenpozen

Het lijkt erop dat de Zweedse Academie de laatste decennia in een hoog tempo bezig is om het afzetgebied voor de Nobelprijs uit te breiden. Nadat in 1986 met Wole Soyinka voor het eerst een Afrikaanse schrijver werd gelauwerd (ook al schreef die voornamelijk in het Engels), kwamen met wisselende tussenpozen andere auteurs uit veronachtzaamde taalgebieden aan bod: in 1988 de Arabisch schrijvende Egyptenaar Nagieb Mahfoez, vier jaar later de ook in Patois (Creools) schrijvende Caraïbiër Derek Walcott, in 1998 de Portugees José Saramago, en daarna nog de Chinees Gao Xinjiang (2000) en de Hongaar Imre Kertész (2002).

Vooral de toekenning van de Nobelprijs aan een Chinese schrijver – ook al woonde hij in Parijs – was een daad van ruimhartigheid. Niet alleen omdat daarmee de rijke Chinese literaire traditie geëerd werd, maar ook omdat zo meer dan een miljard mensen werden toegevoegd aan de Nobelgemeenschap. Er is dus hoop voor de andere gediscrimineerde wereldtalen: het Hindi (250 miljoen sprekers, de taal van de Baghavadgita en de Ramayana), het Maleis en Bahasa Indonesia (180 miljoen), het Turks (60 miljoen), het Swahili (30 miljoen), en natuurlijk het Nederlands (20 miljoen).

Na het Roemeens (23 miljoen sprekers) is het Nederlands het grootste Europese taalgebied waarin nog nooit een Nobelprijs viel – en dat voor de taal van Bijns en Vondel, Multatuli en Couperus, Boon en Hermans! De Nederlandstaligen zijn er overigens wel dichtbij geweest. In 1939 stond de historicus Johan Huizinga samen met de Fin Frans Sillanpaä op de laatste shortlist, die van de Zweedse Academie in dat oorlogsjaar alleen kandidaten uit neutrale landen mocht bevatten. Omdat er een Russische inval in Finland dreigde, kreeg Sillanpaä de voorkeur, waarna de prijs vier jaar lang niet werd toegekend. In 1996 maakte Hugo Claus een grote kans, maar hij werd voorbijgestreefd door de Poolse dichteres Wislawa Szymborska.

Het verhaal wil dat Claus het Nobelprijscomité voorgoed tegen zich in het harnas heeft gejaagd door op de dag van de toekenning te klagen dat ze die prijs aan `een Poolse huisvrouw' hadden gegeven. Maar het Nederlandse taalgebied heeft nog genoeg andere geschikte kandidaten voorhanden. Volgens S.P.A. Gipman, die in 1995 het standaardwerk 100 jaar Nobelprijs voor literatuur publiceerde, zijn in de afgelopen halve eeuw de volgende, nu nog levende auteurs bij de Zweedse Academie voorgedragen: Theun de Vries, Hella Haasse, Hubert Lampo, Gerrit Kouwenaar, Gerard Reve, Harry Mulisch, Hugo Claus en Cees Nooteboom. Alleen de laatste drie figureren regelmatig – zij het doorgaans met fout gespelde namen – op de lijstjes die begin oktober bij de internationale persbureaus de ronde doen.

Stel dat de Zweedse Academie op de eerste donderdag van oktober besluit om de Nobelprijs aan een Nederlandstalige schrijver toe te kennen. Wie maakt dan de grootste kans? Hubert Lampo in elk geval niet; sinds het succes van zijn magisch-realistische roman De komst van Joachim Stiller (1960) is zijn reputatie afgebladderd. Hij schreef door aan een oeuvre waarin de archetypen van Gustav Jung panklaar worden opgediend, maar het (internationale) publiek heeft hem uit het oog verloren en de kritiek is zich steeds meer gaan ergeren aan zijn onhandige stijl en zijn mystieke effectbejag. Ook Gerard Reve gooit geen hoge ogen: zijn werk is nooit erg aangeslagen in het buitenland en zijn perverse humanisme is waarschijnlijk altijd een tikkeltje te wild voor het Nobelprijscomité geweest. Gerrit Kouwenaar dan? Een goede keus, al was het alleen maar omdat hij met zijn bundels de tijd staat open (1997) en totaal witte kamer (2002) heeft bewezen dat hij op hoge leeftijd zijn beste werk maakt; maar de vraag is of zijn naam internationaal nog bellen doet rinkelen, een halve eeuw na de paukenslag van de CoBrA-groep die hem in Zweden beroemd maakte.

De vijf jaar oudere Hella Haasse (1918) heeft betere papieren: ze heeft een breed oeuvre, waarin essayistiek een grote rol speelt; ze is populair in Duitsland, Italië en bovenal Frankrijk; haar laatste boeken zijn goed ontvangen en meteen vertaald; en ze is een vrouw – iets wat een voordeel kan zijn bij een prijs die pas negen keer aan een vrouw is toegekend en bovendien door een jury die al jaren van seksisme wordt beschuldigd. In dat opzicht is Harry Mulisch dus gehandicapt, hoewel hij internationaal veel aanzien heeft en zelfs door Duitse literatuurpausen bij de Zweedse Academie is aanbevolen.

Fries

En toch, als je bij Ladbroke's zou kunnen gokken op de eerste Nederlandstalige winnaar van de Nobelprijs voor literatuur, dan zou ik mijn geld zetten op Cees Nooteboom. Hij is relatief jong (70), staat bekend als dichter, romancier en essayist, presenteert zich als kosmopolitisch Europeaan, en wordt op handen gedragen in Spanje, Frankrijk en de Duitstalige wereld. Dit jaar ontving hij niet alleen de P.C. Hooftprijs, maar ook de Oostenrijkse Staatsprijs voor Europese literatuur. Zijn poëzie is vertaald door de Nobelprijswinnaar van vorig jaar, J.M. Coetzee, en tijdens de laatste Frankfurter Buchmesse deelde hij praktisch het podium met Muhammad Ali. He is the greatest, tenminste als we hem als Nederlander in het licht van de Nobelprijs zien.

Eén naam van het bovenstaande lijstje van acht Nederlandstalige Nobelprijskandidaten is nog niet aan de orde gekomen: Theun de Vries. Hoewel ik weinig zicht heb op de internationale reputatie van de 97-jarige historische romancier geloof ik niet dat hij ooit tot de shortlist is doorgedrongen. Zijn kansen lijken dus klein, maar zijn uitverkiezing zou wel een sympathieke zet van de Zweedse Academie zijn. De Vries schrijft namelijk niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Fries, dat ondanks zijn vierhonderdduizend sprekers in Nobeltermen een lingua incognita is. Als de Achttien Gezworenen over ruim een maand een vergeten taalgebied zouden willen emanciperen, dan zou het Fries een even goede keus zijn als het Turks, het Ests, het Sloveens, het Albanees of het Bahasa Indonesia.

Volledige lijst Nobelprijswinnaars via www.nrc.nl, waarop ook het dossier Nobelprijs Literatuur is te vinden