Mag het nog een onsje minder zijn

Maandag begint de partijconventie van de Amerikaanse Republikeinen. Een uitstekende nieuwe studie schetst de ontwikkeling van de partij, van progressief overheidsactivisme tot privatisering met een glimlach.

Er gingen op de Democratische partijconventie in juli veel ballonnen de lucht in. Menig Europees waarnemer zal hebben geoordeeld dat dit symbolisch was voor het gebrek aan substantie van de meeting. Veel vlaggen en borden, veel geschreeuw ook. En dat terwijl de uitkomst al van tevoren vaststond. John Kerry werd de kandidaat die in de campagne voor de presidentsverkiezingen een politiek programma (`platform') moet uitdragen dat in zijn vaagheid de bedoeling heeft zo weinig mogelijk kiezers af te schrikken. Weinig verrassing en weinig inhoud dus: dat zal ook de indruk zijn van de Republikeinse conventie die maandag in New York begint en George W. Bush gaat aanwijzen als presidentskandidaat voor zijn partij.

Toch berust deze indruk op een tekort aan kennis van de manier waarop de Amerikanen hun democratie beleven. Met juichen en feestvieren willen de deelnemers aan een partijconventie een demonstratie geven van hun aanhankelijkheid aan de democratie in het algemeen en aan de partij die in hun ogen deze democratie het beste gestalte geeft. In Europa is het democratische stelsel een systeem dat is bevochten door emancipatiebewegingen die strijden voor belangen en beginselen. In de Verenigde Staten was de democratie er al, sinds de natie in 1776 haar onafhankelijkheid proclameerde. Partijconventies zijn emotionele gebeurtenissen waar met feestgedruis de liefde voor het vaderland wordt uitgedragen. Men viert daar luidruchtig dat men alles in één is: partijganger, democraat, patriot, Amerikaan.

En de partijprogramma's, hoe serieus moeten die worden genomen? Hoogst serieus, zegt Lewis Gould in Grand Old Party, een geschiedenis van de Republikeinse partij. Deze historicus, hoogleraar aan de universiteit van Texas, bekent in zijn inleiding met de Democraten te sympathiseren. Niettemin heeft hij een evenwichtig epos geschreven van de tegenpartij, die honderdvijftig jaar geleden werd opgericht. Gould behandelt in een vloeiend geschreven synthese de interne ontwikkelingen in de `GOP', de voortdurende strijd met de Democraten, maar ook de maatschappelijke ontwikkelingen die de koers van de partij hebben beïnvloed. Het enige minpunt van zijn boek is dat de buitenlandse politiek soms te summier wordt behandeld. Daar staat dan weer tegenover dat Gould tal van belangrijke historiografische twistpunten met veel kennis van zaken behandelt, van de vraag of Lincoln werkelijk een tegenstander van de slavernij was tot de kwestie in hoeverre het partijestablishment de anticommunistische heksenjacht van senator Joe McCarthy steunde.

Partijprogramma's, zo maakt Gould duidelijk, zijn ook in Amerika belangrijk, maar op een heel andere manier dan in Europa. Europese partijen reageren op maatschappelijke veranderingen door aan te knopen bij hun uitgangspunten. In Amerika daarentegen is de persoonlijkheid van de partijleider doorslaggevend: zijn opvattingen bepalen de koers, die daardoor grote ideologische zwenkingen kan ondergaan. Zo konden de Republikeinen zich ontwikkelen van de beweging die onder Lincoln de emancipatie van achtergestelde groepen propageerde en voorstander was van een sterke federale regering, tot de partij die onder George W. Bush de belangen van het bedrijfsleven behartigt en de invloed van de overheid op sociaal-economisch terrein wil terugdringen. Europese partijen zoeken aansluiting bij een ideologisch erfgoed, Amerikaanse partijen knopen aan bij de pionierstraditie van een individualisme dat de hele Amerikaanse samenleving en dus ook de Amerikaanse politiek doordrenkt. De verering van de economische tycoon, de celebrity-aanbidding in de pop- en filmwereld en de persoonlijkheidscultus in de politiek: ze hangen nauw met elkaar samen en vinden hun oorsprong in de pioniersgeest van de Amerikaanse kolonisten.

Volgens Gould heeft de Republikeinse partij drie gezichtsbepalende persoonlijkheden gekend, die als president invloed hebben uitgeoefend tot ver voorbij de grenzen van hun eigen groepering: Abraham Lincoln (1861-1865), Theodore Roosevelt (1901-1909) en Ronald Reagan (1981-1989). Lincoln behoorde niet tot de eerste leden van de Republikeinse partij, die in 1854 werd opgericht toen de Democraten een wet indienden om de slavernij te kunnen uitbreiden van het Zuiden naar het Noorden. De aarzelingen van Lincoln, die zich pas na enkele jaren bij de Republikeinen aansloot, hadden te maken met twijfels over het mogelijke succes van de nieuwe partij, maar ook met zijn eigen opvattingen. Anders dan de oprichters van de nieuwe partij liet hij zich aanvankelijk niet kennen als een principiële tegenstander van slavernij. In elk geval hield hij uit opportuniteit zijn beginselen voorlopig voor zich.

Deze houding is volgens Gould geen reden om iets af te doen aan de reputatie van Lincoln. Hij ziet in dit standpunt van Lincoln juist een bewijs van diens kwaliteiten als politiek strateeg. Lincoln wist dat een onvoorwaardelijke afwijzing van de slavernij politieke zelfmoord zou betekenen. Ook in het Noorden was voor dit standpunt geen meerderheid te behalen. Daarom koos hij voor een ambivalente positie: hij sprak zich uit tegen een uitbreiding naar het Noorden en voor handhaving van de slavernij in het Zuiden. Hij probeerde de kiezers in het Noorden te winnen door hen voor te houden dat volledige afschaffing hetzelfde onwenselijke resultaat zou hebben als uitbreiding van de slavernij naar het Noorden: de werkgelegenheid zou worden bedreigd, in het eerste geval doordat vrijgekomen slaven uit het Zuiden naar het Noorden zouden trekken, in het tweede geval door de import van nieuwe slaven.

Tegelijkertijd maakte hij duidelijk dat op de lange duur de slavernij niet in overeenstemming kon zijn met de Onafhankelijkheidsverklaring. Als Lincoln verder was gegaan, aldus Gould, had hij nooit president kunnen worden. Nu won hij in 1860 net, met minder dan veertig procent van de stemmen en dankzij het feit dat er drie andere kandidaten meededen die de rest van de stemmen verdeelden.

Na deze uitslag scheidden de Zuidelijke staten zich af en brak de Burgeroorlog uit (1861-1865). Pas tijdens de polarisatie van die strijd, die 600.000 levens kostte, sprak Lincoln zich onomwonden uit voor afschaffing van de slavernij, een doelstelling die hij verbond met het voornemen de Unie te behouden. Nadat het Noorden de overwinning had behaald, namen de Republikeinen het initiatief tot de Civil Rights Act van 1866, volgens Gould een hoogtepunt in het bestaan van de GOP. Lincoln, een jaar eerder vermoord, maakte het niet mee.

Een sterke overheid, die de unie bij elkaar hield en die zich economisch liet gelden door de instelling van een nationale bank en de introductie van de inkomstenbelasting, was een belangrijk onderdeel van zijn politieke erfenis. In de decennia na de dood van Lincoln verloor de Republikeinse partij haar belangstelling voor deze interventiepolitiek. Zij werd vooral de partij van een passiviteit die het bedrijfsleven ten goede kwam. Presidentsverkiezingen werden door de Republikeinen vaak gewonnen, maar de Democraten behaalden in het Congres bij herhaling een meerderheid. Het resultaat was een langdurige politieke impasse. Ook misten de Republikeinen sterke leiders.

Dat laatste veranderde met de komst van Theodore Roosevelt, president van 1901 tot 1909. Hij was een politieke gigant die volgens Gould niet alleen in de annalen van de Republikeinse partij een belangrijke plaats inneemt: zijn invloed reikte veel verder. Roosevelt beschikte over een tomeloze energie, fysiek en intellectueel. Na een succesvolle rechtenstudie werd hij ranchhouder en premiejager. Hij schreef veertien boeken, en met The Winning of the West (in 1889, hij was toen net de dertig gepasseerd) oefende hij grote invloed uit op de these van de historicus Frederick Jackson Turner dat de ervaring van de frontier bepalend was geweest voor het Amerikaanse karakter.

Roosevelt werd de pleitbezorger van overheidsinterventie in de economie en van een actieve rol van de Amerikaanse natie in de wereldpolitiek. Toen in 1895 in de Spaanse kolonie Cuba een opstand uitbrak, was hij voorstander van ingrijpen. Drie jaar later werd dit verlangen beantwoord. Roosevelt meldde zich als vrijwilliger en werd aanvoerder van de `Rough Riders', een cavalerie-eenheid die zich onderscheidde door vermetel en roekeloos gedrag. In 1901 werd hij president, pas 42 jaar oud. Hij was de eerste bewoner van het Witte Huis die als celebrity opereerde. Zijn privé-leven lag op straat, weerstand tegen zijn initiatieven probeerde hij te breken door de openbaarheid te zoeken met oneliners die zijn tegenstanders moesten provoceren.

Maar de inhoud was bij Roosevelt altijd belangrijker dan de uiterlijkheden, waarvan hij zichtbaar genoot. Hij meende dat Amerika in de greep was geraakt van een `roofkapitalisme' dat in zijn jacht op winst geen grenzen kende. Zijn campagne om big business aan banden te leggen, op dat moment een uniek initiatief in de Amerikaanse geschiedenis, stuitte echter ook in zijn eigen partij op zoveel verzet dat de resultaten ver achterbleven bij zijn ambitie. Roosevelt was ook de eerste president die zich namens de Republikeinen met zijn `nieuwe nationalisme' presenteerde als patriot bij uitstek. De Democraten kwalificeerde hij als slappelingen. Deze houding zou een belangrijke Republikeinse traditie worden, die ook het optreden van George Bush bepaalt. Roosevelt had de pech dat na de oorlog tegen Spanje de imperialistische koorts in Amerika luwde. In de wereldpolitiek heerste een periode van windstilte. Tot zijn spijt kon hij niet zijn overtuiging in de praktijk brengen dat de belangen van de Verenigde Staten een actieve inmenging in de internationale verhoudingen noodzakelijk maakten. Zo kreeg hij noch in de buitenlandse noch in de binnenlandse politiek veel van de grond.

De betekenis van Roosevelt ligt ook niet in zijn concrete resultaten, aldus Gould, maar in zijn vermogen `to set the standard'. Hij bepaalde met zijn Progressive Creed voor een lange periode de politieke agenda, die overigens niet door de Republikeinen maar door de Democraten werd uitgevoerd, mede doordat hij na het einde van zijn presidentschap de Republikeinse partij verliet. Zijn binnenlandse programma zou worden uitgewerkt door zijn neef en bewonderaar Franklin Delano Roosevelt, Democraat en president van 1933 tot 1945. Het pleidooi van Theodore Roosevelt voor interventionisme in de buitenlandse politiek vond sneller gehoor. Het werd door de eveneens Democratische president Woodrow Wilson (1911-1919) in de praktijk gebracht, naar het oordeel van Roosevelt overigens veel te traag.

Na Roosevelts vertrek in 1909 brak voor de Republikeinen een lange periode aan van terughoudendheid in de binnenlandse en buitenlandse politiek. Een klimaat van passief conservatisme werd gedragen door leidende persoonlijkheden van middelmatige kwaliteit. Gould noteert louter dieptepunten. De partij was de kampioen van een isolationisme dat de Verenigde Staten uitschakelde als de mogendheid die in de jaren dertig Hitler had kunnen tegenhouden. De partij voerde een vruchteloze obstructiepolitiek tegen de New Deal van Roosevelt. Na de Tweede Wereldoorlog volgde een beschamende episode met het optreden van senator Joe McCarthy, die voor zijn heksenjacht op aangangers van het communisme steun kreeg van de Republikeinse partijleiding.

Onder Eisenhower (1953-1961) overheerste een gematigde koers: hij weigerde de sociale verworvenheden van de New Deal Social Security en Medicare terug te draaien. Na verloop van tijd wekte die houding in eigen kring een verzet dat op termijn grote gevolgen zou krijgen voor de Amerikaanse samenleving. Eind jaren vijftig begon senator Barry Goldwater aan een lange mars door de partij-instituties om zijn agressief-conservatieve ideologie aan de man te brengen. Voor Goldwater was de conservatieve ideologie een strijdlustige way of life. De New Deal, die door de Democratische presidenten Truman (1945-1953) en Johnson (1963-1969) nog verder werd uitgewerkt, was in zijn ogen een afsplitsing van het communistische collectivisme. De strijd tegen de sociale programma's was voor hem een gevecht om het karakter van de Amerikaanse natie: `extremisme in dienst van de vrijheid is geen zonde', was zijn lijfspreuk. Om Amerika weer gezond te maken, moest de rol van de overheid drastisch worden teruggedrongen.

Als praktiserend politicus was Goldwater geen succes: zijn optreden was te houterig en zijn uitspraken waren vaak te rancuneus. Maar zijn opvattingen wonnen in de jaren zestig terrein bij een `zwijgende meerderheid' die in het verzet tegen de permissive society al gauw een `morele meerderheid' werd. De stagnerende economie van de jaren zeventig stimuleerde het idee dat belastingverlaging het recept was om Amerika economisch èn moreel er weer bovenop te krijgen. De oversteek die de neoconservatieven maakten van de Democratische naar de Republikeinse partij gaf een belangrijke impuls aan de anticommunistische strijdlust in de buitenlandse politiek.

Met deze ideologische bagage veroverde Ronald Reagan in 1980 het Witte Huis. Gould erkent dat deze president, dankzij zijn aanstekelijke optimisme en de wervingskracht van zijn publieke optreden, het zelfvertrouwen van de Amerikanen binnen korte tijd wist te herstellen. De militaire druk op de Sovjet-Unie werd verhoogd, een maatregel die mede leidde tot het besluit van het Kremlin om interne hervormingen door te voeren, die het communistische systeem fataal zouden worden. De bijdrage van Reagan aan het einde van de Koude Oorlog is ook volgens Gould onbetwistbaar. Een paar jaar na het aantreden van Reagan trad bovendien het economisch herstel in. Maar tegen een hoge prijs, vindt Gould. Een verlaging van de belastingen leidde weliswaar tot economische groei, maar in combinatie met een forse verhoging van de defensieuitgaven ook tot een groot tekort op de overheidsbegroting. Ernstiger nog waren volgens Gould de sociale gevolgen. Het conservatisme van Reagan werd gepresenteerd met een lachend gezicht, maar had een keiharde inhoud. Het armste deel van de bevolking werd vergeten, de politieke verhoudingen raakten ernstig verhard.

Na Reagan kreeg het door de Republikeinen geleide religieus-morele reveil volgens Gould het karakter van een ketterjacht. De frivole levensstijl van de Democratische president Clinton was het ideale doelwit van een haatcampagne die gevoerd werd uit naam van family values. Hoe men ook over de erfenis van Reagan denkt, zo geeft Gould toe, de invloed ervan is nog altijd heel groot. In de Republikeinse partij zelf heeft hij op dit moment Lincoln en Th. Roosevelt verdrongen als meest bewonderde persoonlijkheid. Al probeert de huidige president Bush sinds 11 september 2001 nadrukkelijk te opereren in de geest van diezelfde Roosevelt door zijn partij als de exclusieve erfbewaarder van de Amerikaanse vaderlandsliefde te presenteren. Het is de vraag of deze strategie niet tot een electoraal boemerangeffect zal leiden nu de interventie in Irak beroerd blijft verlopen.

Ook de erfenis van Reagan levert George W. Bush nog nauwelijks voordelen op. Nu de economie blijft haperen, lijkt het middel van de belastingverlaging uitgewerkt te zijn. Het tekort op de begroting wordt almaar hoger. De hardliners in de GOP, aldus Gould, willen dit probleem verhelpen door de aanval te openen op de belangrijkste uitgavenpost van de federale regering, de sociale programma's Medicare en Social Security. Maar ook daar stuit de Reagan-revolutie op haar grenzen, want aantasting van deze sociale voorzieningen is electoraal hoogst impopulair. Maakt Kerry dan toch een kans? Hij krijgt het verwijt onvoldoende met eigen plannen te komen. Maar als je tegenstander zo in de problemen zit, kan afwachten een vruchtbare strategie zijn.

Lewis L. Gould: Grand Old Party. A History of the Republicans. Random House, 597 blz. €45,50

</RE>