Lijken onder de picknickplek

Op haar zevende verzamelt Clea Koff de dode vogels die ze in de achtertuin van haar ouderlijk huis in Los Angeles vindt. Ze begraaft ze in plastic zakken, zodat ze ze later weer kan opgraven, om, zoals ze schrijft, `de dood te onderzoeken'.

Op haar drieëntwintigste onderzoekt Clea Koff de dood ten behoeve van de levenden. Als jongste lid van een team forensisch antropologen werkt ze aan het ontleden van een massagraf in Rwanda, om bewijsmateriaal te verzamelen voor het Rwanda-tribunaal van de Verenigde Naties. Ze is goed in haar werk; tussen januari 1996 en juli 2000 maakt ze deel uit van twee missies voor het tribunaal, daarna van drie voor het Joegoslavië-tribunaal, in Bosnië, Kroatië en Kosovo.

Haar boek De Bottenvrouw, mijn werk in de massagraven voor de oorlogstribunalen van de VN is een indrukwekkend verslag van haar ervaringen. Het boek vertoont alle kenmerken van een bijgeschaafd dagboek, maar de omslachtigheid van Koffs stijl stoort niet. Integendeel; die nauwgezetheid hoort bij haar vak. De Bottenvrouw bevat minutieuze beschrijvingen van dit voor buitenstaanders lugubere en soms onbegrijpelijk precieze werk. Koff graaft op steile hellingen naar lichamen in alle staten van ontbinding en skelettatie, ze tilt ze uit het grondwater en zoekt in ontbindend vlees naar kogels. Om de staat van sommige gebitten te kunnen controleren, breekt ze verstijfde kaken open. Op formulieren en in computers worden eindeloze reeksen gegevens verzameld.

Clandestiene graven

Koff schrijft daarover op een toon van liefde voor haar vak. Dat een dergelijke toewijding ook kan omslaan in beroepsdeformatie, bleek onlangs. Eén van Koffs naaste collega's, José Pablo Baraybar, blijkt een aantal jaren geleden zonder toestemming stukjes Joegoslavisch bot achter te hebben gehouden omdat hij een standaard wilde opstellen voor leeftijdsbepaling op de Balkan. Koff beschrijft hem juist als één van haar meest begaafde en precieze teamgenoten. Het massagraf in het Bosnische Cerka bijvoorbeeld ziet er voor een ongeoefend oog uit als een picknickplek, met zon, schaduw, een stroompje en een fraaie helling. Koff en haar collega's zien iets heel anders: `Om dezelfde reden van strategische verlatenheid is een plek als deze ook bij uitstek geschikt om mensen te vermoorden.' De bocht in de weg zorgt ervoor dat je auto's kunt horen aankomen voordat de inzittenden jou zien. Als de slachtoffers bovenaan de helling staan, vallen de lichamen van de helling zodat ze makkelijk te begraven zijn. `Nadat er planten zijn gaan groeien, ziet het er opnieuw uit als de ideale picknickplek', aldus Koff.

Koff combineert de speurzin van een forensisch onderzoeker met idealisme. Haar inspiratiebron is het boek Witnesses from the Grave, waarin antropoloog Clyde Snow het werk beschrijft van een forensisch team doctoraalstudenten dat de moed had overblijfselen van `verdwenen' mensen op te graven in Argentinië, `mensen die op ultieme wijze door het eigen leger of de eigen overheid tot zwijgen waren gebracht: vermoord en in een clandestien graf gelegd.' Het feit dat ook zij botten als het ware kan laten spreken, opdat de moordenaars uiteindelijk niet vrijuit kunnen gaan, bezorgt haar grote voldoening. `Veel mensen hebben me gevraagd hoe ik zoveel kon glimlachen, midden in een massagraf of een veld vol verspreid liggende botten. Het komt omdat ik niet alleen de dood zie, waar ik níets aan kan doen, maar botten en tanden en haren waar ik wél iets mee kan'.

In Rwanda legt Koff lichamen bloot met doorgesneden achillespezen. Die moesten de slachtoffers beletten te vluchten voordat ze zouden worden gedood. In Bosnië vindt Koff mensen met handen op hun rug gebonden, en de verdwenen verplegers en patiënten van een ziekenhuis. Ze graaft verpleegstersklompen op, een man met zijn arm in het gips, een man die zijn röntgenfoto's in zijn badjas heeft verstopt.

Uit het boek blijkt dat Koff in omstandigheden werkt die de meeste mensen niet aan zouden kunnen en die ook zwaarder zijn dan strikt noodzakelijk. Moeilijker dan vuil en stank zijn de arbeidsvoorwaarden. De teams leven door het eeuwig geldgebrek van de Verenigde Naties op rantsoenen waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden; er is nooit genoeg materieel en lijkzakken, zelfs een tent om een beschut mortuarium in te richten ontbreekt vaak.

Het moeilijkst heeft Clea Koff het met de levenden. Zij veranderen de lichamen immers in dode personen, en doen daarmee een aanval op de professionele afstand die ze wil en moet betrachten. Enerzijds geeft niets haar meer voldoening dan het teruggeven van de doden aan de levenden, zodat die met hun rouwverwerking kunnen beginnen. Anderzijds zorgt de confrontatie met de levenden ervoor dat ze haar emoties niet meer in bedwang heeft.

Respect

Koff beschrijft het zoeken naar die balans zorgvuldig en vrijwel zonder pathos. In Rwanda organiseert ze `Kledingdag': de kleren van de opgegravenen worden uitgestald, zodat de overlevenden kunnen komen zoeken naar verwanten. In Kosovo is een grootvader erbij als Koff het lichaam van zijn kleinzoon opgraaft. Beide keren heeft ze het gevoel hopeloos tekort te schieten. Dat gevoel wordt versterkt door de vrouwen van Vukovar, die bezwaar maken tegen de komst van het forensisch team; hun mannen zijn verdwenen, maar niet dood, zeggen de vrouwen, en ze willen niet dat met graven wordt begonnen.

Koffs analyse van de politieke manipulaties achter als `etnisch' omschreven moordpartijen geeft opnieuw te denken over de lankmoedigheid waarmee sommige geweldsuitbarstingen worden geaccepteerd. Uit alles spreekt haar respect voor de doden; haar beschrijvingen van persoonlijke details, zoals de knikkers in de zak van een kind, de kralenketting om de hals van een vrouw, brengen de doden tot leven.

Uit Koffs verslag rijst een bijzondere persoonlijkheid op, een combinatie van een mijnwerkster en een meisje, bureaucrate en bijna-heilige, koelbloedige professional met een groot hart. Maar in weerwil van de titel is zijzelf niet het onderwerp. Al kan ze het niet laten complimenten en successen die haar ten deel vallen te vermelden, De bottenvrouw is bovenal een verlengstuk van haar werk. Dat omvat, begrijpt ze, niet alleen het opgraven van lichamen, maar ook het vertellen van hun verhalen aan de levenden.

Clea Koff: De Bottenvrouw. Sirene, 306 blz. €18,95. De oorspronkelijke uitgave The Bone Woman verscheen bij Random House, 368 blz. €22,50