Kerry kan in kwestie Irak niet veel veranderen

Het debat in Amerika's presidentiële verkiezingscampagne gaat over de verkeerde oorlog. (Als de verdachtmakingen al een debat mogen worden genoemd). De afgelopen weken ging het over Vietnam, of nauwkeuriger: over de vraag of kandidaat Kerry zich daar als een held, als een lafaard of als een oorlogsmisdadiger had gedragen. De aantijgingen tegen zijn persoon komen uit de hoek van nauw aan de Bush-campagne verwante oorlogsveteranen.

In zekere zin heeft Kerry het aan zichzelf te wijten. Tijdens de Democratische conventie waar zijn kandidatuur werd bevestigd, werd hoog opgegeven van zijn martiale prestaties destijds in de Mekongdelta. Over zijn latere protest tegen die oorlog werd nauwelijks iets vernomen. Sinds Clinton, een vermaarde ontduiker van de dienstplicht, tweemaal in het hoogste ambt werd gekozen, en nu diens opvolger en generatiegenoot zich evenmin op een heroïsch verleden kan beroepen, lijkt een gebrek aan militaire ervaring en medailles geen beletsel meer om het Witte Huis te veroveren. Maar de Kerry-campagne oordeelde anders en meende de huidige oorlogsleider met een beroep op het flinke verleden van de eigen kandidaat op een zwakke plek te kunnen treffen.

Het gevolg is dat de actuele oorlog in Irak aan het oog van de kiezer wordt onttrokken. Met die oorlog en met de aanleunende oorlog in Afghanistan verloopt het beroerd. Een tegenkandidaat met een duidelijk afwijzend standpunt zou het president Bush bijzonder moeilijk hebben kunnen maken. Kerry heeft echter de handicap dat hij als senator de invasie in Irak heeft gesteund. Hij komt nu niet veel verder dan kritiek oefenen op de manier waarop de bezetting van Irak wordt afgewikkeld, escalerend in de eis dat minister van Defensie Rumsfeld moet aftreden. Bovendien houdt Kerry de Amerikaanse kiezer voor dat deze niet langer alleen voor de kosten in levens en geld zal opdraaien, zodra hij in het Witte Huis zijn intrek zal hebben genomen. Hij verwacht dat dan de bondgenoten zullen toestromen om Amerika uit het moeras te trekken, al was het maar uit dankbaarheid dat hij, Kerry, Bush uit het ambt verdreef.

Een oorlog als erfenis is voor iedere nieuwe president een zware belasting, en twee oorlogen vormen een dubbele belasting. President Eisenhower dreigde met de Bom om de impasse in de Koreaanse oorlog, waarin Truman had ingegrepen, te doorbreken. Een wankel bestand dat tot de dag van vandaag voortduurt, is het gevolg. Eisenhower zelf mengde zich in de nasleep van Frankrijks Indo-Chinese koloniale oorlog en probeerde een eind te maken aan het regime van Fidel Castro in Cuba. Een naaste medewerker van Kennedy schreef later dat de nieuwe president het gevoel had gehad dat het dak boven hem instortte toen kort na zijn aantreden in beide gebieden een ernstige crisis losbarstte waarop hij en zijn regering niet waren voorbereid.

Kennedy op zijn beurt liet de Vietnamese oorlog na, die onder Johnson oversloeg naar Laos en Cambodja. Nixon slaagde erin tegen de prijs van zware offers een pauze in te lassen, maar onder Ford ging heel Indo-China aan de communisten verloren. Carter hoefde zich daarover geen zorgen meer te maken, maar liep tot zijn eigen verbazing op tegen de val van de sjah van Iran en de sovjet-invasie in Afghanistan. Reagan zag in die invasie een geschikte aanleiding om het Moskou bijzonder moeilijk te maken, maar Amerika worstelt intussen nog altijd zelf met de gevolgen van Reagans bemoeienis. Zoals het ook dagelijks wordt geconfronteerd met de gevolgen van de oorlogen tegen Saddam, respectievelijk gevoerd door Bush sr. en Bush jr. Clinton erfde van Bush sr. bovendien de burgeroorlog in Somalië en de burgeroorlogen op de Balkan, zij het dat in dit laatste geval Amerika's langdurige afzijdigheid de crisis had helpen verergeren. In het discours over militair ingrijpen heeft van oudsher de vraag naar een exit strategy, naar de uitgang, centraal gestaan. Caspar Weinberger, minister van Defensie onder Reagan, heeft zelfs eens een waslijst aangelegd van voorwaarden die vervuld moesten zijn alvorens tot een gewapende interventie kon worden besloten. Hoofdpunt was het voorhanden zijn van een exit, van een strategie die het mogelijk maakte zich zonder al te veel kleerscheuren uit een conflict los te maken. Tenslotte was de overhaaste vlucht van de laatste Amerikanen van het dak van hun ambassade in Saigon geen voorbeeld ter navolging geweest. Reagan zelf had een snel einde gemaakt aan zijn interventie in Libanon, toen een autobom in de barakken van de Amerikaanse mariniers 278 doden maakte. Het bleef een van de weinige voorbeelden van een overhaast vertrek betrekkelijk kort na het begin van een interventie. Een andere was de door Clinton bevolen snelle terugtocht uit Somalië, nadat een vuurgevecht in de straten van Mogadishu aan 18 Amerikanen en waarschijnlijk aan een 1200 Somaliërs het leven had gekost. Beschikken Bush en diens uitdager Kerry over een exit strategy in Irak? Als dat al het geval is, houden zij haar geheim. Bush zegt bezig te zijn met de democratisering van dat land. Het door de Amerikanen in Bagdad geïnstalleerde regime heeft zich onlangs een parlement aangemeten, de omgekeerde wereld. Samen moeten zij verkiezingen voorbereiden voor een grondwetgevende vergadering. Formeel is aan de bezetting een einde gekomen, maar in de dagelijkse praktijk maken Amerikaanse `adviseurs' en marinierscommando's de dienst uit. Het ziet er niet naar uit dat met Kerry in het Witte Huis in die toestand veel zal veranderen, althans voorlopig niet. Sinds alle betrokkenen, de VN en de Europese bondgenoten, inbegrepen de aanvankelijke dissidenten, gesteund door twee resoluties van de Veiligheidsraad, kiezen voor wat wordt genoemd de wederopbouw van het land als eerste prioriteit, zou een nieuwe president ook nauwelijks anders kunnen. De Irakezen mogen in de vreemdelingen in hun land bezetters blijven zien, die vreemdelingen zelf zwelgen in hun eigen vermeende goede bedoelingen. Deze leiden vooralsnog niet naar de uitgang. Wel naar meer bloedvergieten.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.