Huub Beurskens

Eind dit jaar wordt de verkiezing van een nieuwe Dichter des Vaderlands georganiseerd. Het Cultureel Supplement publiceert wekelijks een gedicht om de gedachten te bepalen.

Hollandse wei

Een vuige verstikking ontsteeg de eeuwrest die smolt

en de blaren opblies uit elke veelipporie.

Alom de troebele hoester hangt uit zijn nesse tong,

graait in struifbeplakte heestertakken naar zijn bruid,

hikster van giechelschimmel, streptokokken. De sloerie.

Door verregening en verlepping niets waar hij komt

dan verenging. En verstepping waar zij stampend stapt, nee,

asfaltering. Loodblauw kucht bij windgetij de dag.

Bloemkronen – wat wij niet konden blijven zij: geloven –

bestoven, maar roetzwart. De mei wordt ons ingebracht:

in de wei legden wij het gonzende vlerkenei, we

trokken de hagelsnoeren door de bebouwde klei

en richtten onze kamers in tot dagelijkse nacht;

daar fladdert ons verlangen het beeldscherm in en lacht.

Uit: Huub Beurskens, Bange natuur en alle andere gedichten tot 1998 (Meulenhoff, 1997)

De Limburgse dichter en prozaschrijver Huub Beurskens (1950) debuteerde in 1975 met de bundel `Blindkap. 'Zijn poëzie was aanvankelijk beïnvloed door de vertalingen die hij maakte van expressionistischge dichters als Gottfried Benn en Georg Trakl. Bij zijn voorlaatste bundel`Een hemd in de wind' (2000) noemde deze krant Beurskens een dichter die ondanks zijn postmoderne inslag `zingt als Guido Gezelle en vrolijk is als Pierre Kemp, die getuigt van Vromans taalplezier en in zijn beste momenten alle koketterie ver achter zich laat.' Meer informatie op www.kb.nl/dichters