Eerst de hoofdprijs, dan de opstand

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week

`De prijswinnaars' van Julio Cortázar (Uit het Spaans vertaald door M. Vanderzee. IJzer, 432 blz. euro 29,95)

De Argentijnse schrijver Julio Cortázar zou gisteren precies negentig jaar geworden zijn, als hij niet twintig jaar geleden overleden was. In Spanje en Frankrijk, waar hij ruim dertig jaar en zijn hele schrijversleven heeft gewoond, heeft dat aanleiding gegeven tot colloquia, herdenkingsbundels en een golf aan artikelen. De belangrijkste gebeurtenis in Nederland was de vertaling van zijn eerste roman, De prijswinnaars uit 1960, die kort voor dit jubileumjaar verscheen.

Daarmee is het oeuvre van Cortázar eindelijk volledig in het Nederlands beschikbaar – losse artikelen en gelegenheidswerk daargelaten. Dat deze vertaling zo lang op zich heeft laten wachten en verschijnt bij een andere uitgever dan die van de rest van het werk, is typerend voor de verschoppelingenstatus die De prijswinnaars nog altijd heeft. Het is binnen Cortázars werk inderdaad een buitenbeentje. Voor de auteur die beroemd werd met de labyrintische roman Rayuela uit 1963, waarin de lezer kriskras door het boek kon zwerven en zo onvermoede nieuwe boeken kon ontdekken, oogt De prijswinnaars nogal traditioneel. Wie vooral gecharmeerd is van het fantastische in Cortázars werk, zal door het ogenschijnlijke realisme ervan worden verrast en wellicht ontgoocheld.

Het verhaal is relatief simpel en strekt zich op klassieke wijze uit over drie dagen, omsloten door een proloog en epiloog. Een twintigtal prijswinnaars heeft in een lotterij een wereldcruise gewonnen en gaat verwachtingsvol scheep op wat al snel een kruising tussen spook- en narrenschip blijkt te zijn. Van de bemanning is nauwelijks een spoor te vinden. Het achterdek is verboden terrein en vanaf de inscheping zijn bestemming, gezagvoering en de redenen van de beperkte bewegingsvrijheid met geheimzinnigheid omgeven. Wanneer een kind ernstig ziek wordt, komt een deel van de gasten in opstand. Een uitbraakpoging en een noodbericht naar het vasteland leiden tot de dood van één van hen en een schielijke repatriëring. De organisatie ziet het gebeurde het liefst in de doofpot verdwijnen en het grootste deel van de prijswinnaars gaat daar opgelucht mee akkoord.

De sociale hogedrukketel die Cortázar aan boord van zijn schip geschapen heeft, biedt hem alle gelegenheid zijn personages tegen elkaar uit te spelen, in de intriges van afkeer, verliefdheid, rivaliteit en verlangen die bij een cruisevaart lijken te horen. In dat opzicht is De prijswinnaars een collectieve psychologische roman, van het soort waartegen hij zich acht jaar later in de roman 62 bouwdoos (1968) juist heftig zal afzetten. Als psycholoog brengt Cortázar het er maar matig vanaf, niet in de laatste plaats door een schoolse aanpak die de kunst van het impliceren en half-verzwijgen nog niet meester is.

Maar het verhaal heeft nog een andere strekking die het boek interessanter maakt. Cortázar suggereert haar openlijk wanneer hij een van zijn prijswinnaars laat vaststellen dat hun groep een fraaie afspiegeling vormt van de hele Argentijnse samenleving. De sfeer is die van bedompt fatsoen uit de jaren vijftig, waarin zelfstrijkende nylon overhemden het toppunt van New Yorkse chic vormden, verloofden elkaars bed niet beroerden en zich daarom voordeden als gehuwd, en vrouwen het veld ruimden wanneer opstandig mansvolk krijgsraad houdt.

Ook dat behoorde in 1960 tot het realisme van De prijswinnaars, dat daarmee tegelijkertijd het portret en de allegorie van een samenleving werd. Niet alleen de toenmalige normen en waarden komen er scherp in uit. Ook het gedrag van een natie onder druk wordt er zichtbaar door. Vanaf het begin worden de lotgevallen van de cruisegangers bepaald door een onzichtbare macht met militair-autoritaire trekken, die zijn onwrikbaarheid niettemin zoveel mogelijk verdoezelt. Een deel van de reizigers schikt zich daarin uit angst, gezagsgetrouwheid of hang naar orde. Een ander deel komt in opstand en krijgt het zwaar te verduren. Na afloop wil de eerste groep liefst alles vergeten, met afschuiving van de schuld op de `extremisten' die de vaart voor iedereen hebben verpest.

Het is bijna onmogelijk De prijswinnaars niet te lezen als een grote metafoor van het autoritaire Peronistische bewind, waarvoor Cortázar aan het begin van de jaren vijftig de wijk nam naar Parijs. Daarmee schaart het boek zich in de lange traditie van de Latijns-Amerikaanse dictatorromans, al blijft de onderdrukker anders dan in het genre gebruikelijk is onzichtbaar en draait het drama nu rond het onderdrukte volk, verdeeld tussen collaboratie en verzet.

Hoe sluitend en evident een dergelijke lezing echter ook is, ze stoot frontaal op Cortázars korte `noot van de auteur', waarin hij verklaart dat aan het schrijven van het boek `geen allegorische en zeker geen ethische bedoelingen ten grondslag lagen.' De vertaler M. Vanderzee gooit het in zijn nawoord dan ook over een andere boeg. De prijswinnaars is volgens hem net zo'n spel met noodlot en toeval als op een andere manier Rayuela zou zijn. Spelen doen ook de cruisevaarders, zowel tegen elkaar (de `oorlogs-' en de `vredes-partij') als tegen de onbekende macht die hen de toegang tot een deel van het schip heeft ontzegd en daarmee tegelijk tot overtreding van dat verbod heeft uitgedaagd.

Dat is een intelligente vondst, die beide boeken op elkaar laat aansluiten en Cortázars romandebuut volgens Vanderzee ook tot een vergelijkbaar meesterwerk maakt. Maar hoe manhaftig deze rehabilitatiepoging van De prijswinnaars ook is, ze is te geconstrueerd om te overtuigen. Ze maakt literatuur bovendien iets te veel tot een spel dat louter om formele motieven wordt gespeeld, en vergeet de politieke bekommernis die Cortázar altijd is blijven koesteren.

En De prijswinnaars? De evidentie van het boek staat tegenover de categorische uitspraak van de auteur, maar wat betekent die? Zoals Cortázar in de rest van zijn noot uitlegt, ontsnapten de figuren in het drama tijdens het schrijven langzaam aan zijn wil. Ook de roman lijkt ten slotte een eigen wil en betekenis gekregen te hebben, tegen de opzet van de schrijver in. Wellicht was hij er zelf verbaasd over. Geloof in ieder geval nooit voetstoots wat een auteur over zijn eigen werk te verklaren heeft.

</RE>