De wereld ploft op de vloermat

Banaal, afschuwelijk, saai, en erger: een boek dat dit soort recensies krijgt, is meestal gênant slecht, of het is een onbegrepen meesterwerk. In het geval van Tibor Fischer, Reis naar het einde van de kamer is er nog een derde mogelijkheid: de auteur heeft een recensie over Martin Amis geschreven.

Dat was dan ook niet zomaar een recensie. Fischer kreeg de drukproeven van Amis' nieuwste roman Yellow Dog, in de wetenschap dat zijn eigen boek op dezelfde dag zou verschijnen. De vrees voor concurrentie sloeg aanvankelijk om in opluchting, en daarna in verbazing, zo beschrijft Fischer in een even geestig als ongenuanceerd stuk: Yellow Dog was slecht; niet zomaar slecht, het was `ik weet niet waar ik moet kijken zo slecht'. De recensie liep uit in een tirade tegen Amis' (en Fischers voormalige) literaire agentschap en getuigde van een teleurstelling in een zijn talent verkwanselende Amis.

Het is de vraag wat Fischer bezield kan hebben om zo'n artikel te schrijven over een boek dat bij verschijning sowieso veel aandacht zou krijgen, maar dat voor zijn Reis naar het einde van de kamer zeker geen concurrent had hoeven zijn. Hij bereikte er in ieder geval mee dat er vrijwel geen Engelse recensie is geschreven waarin niet wordt uitgelegd dat Fischers roman nóg slechter is dan die van Amis.

Yellow Dog is een totaal ander boek en de twee hadden waarschijnlijk vredig naast elkaar kunnen bestaan. Het heeft dan ook geen zin om de twee romans met elkaar te vergelijken. Dat van Amis gaat alle kanten op en speelt zich over de hele wereld af, in velerlei milieus, en de personages zijn constant onderweg. Fischer daarentegen houdt zijn ruimte beperkt: zijn hoofdpersoon zal, een roman lang, haar kamer in Londen niet verlaten. Maar dit is Engeland niet, en Reis naar het einde van de kamer is gênant slecht noch een onbegrepen meesterwerk.

Fischers roman vertelt over Oceane, een vrouw die verwekt is op de boot tussen Engeland en Frankrijk. Dat was een enorme reis voor haar vader, die daarom dapper volhield dat hij op de oceaan voer. Daar dankt Oceane haar naam aan. Ze heeft wel iets van de wereld gezien, maar niet meer dan strikt noodzakelijk. Haar tijd in India bestond volledig uit een kortstondige relatie op een hotelkamer. En ook tijdens haar verblijf in Barcelona heeft ze de seksclub waar ze werkte nooit verlaten. De ervaringen daar hebben haar uiteindelijk doen besluiten dat een kamer in Londen groot genoeg is en omdat ze als grafisch ontwerper voor een computerspel rijk is geworden, kan ze zich haar lethargische leven veroorloven. De wereld laat zich met geld eenvoudig naar binnen halen: de mat waarop de post binnenploft noemt ze het strand, winkelen kan via internet, en andere mensen en culturen leert ze kennen in samenwerking met een reisbureau.

Om bijvoorbeeld het idee te hebben dat ze in Finland is geweest, nodigt ze Finse toeristen uit, die haar aanschouwelijk uitleggen wat hun land inhoudt: `Bossen en meren. Meren en bossen. Bossen en meren en meren ... Finland is een hoogst misleidende naam. Er zijn nauwelijks Finnen in Finland. Denk je in dat ik nog vijf minuten lang bossen en meren zeg, tot het je neus uitkomt, dat is Finland.'

Kortom, Oceane heeft haar leven op orde. Maar dan krijgt ze een brief van Walter, een voormalige geliefde uit Barcelona die al tien jaar dood is. Hier ligt de basis voor een mysterie, en dit had dan ook het moment kunnen zijn voor Oceane om haar kamer te verlaten. Maar het is als in de mop van het meisje dat naar Barcelona gaat: ze gaat niet.

Hier verliest het boek zijn vaart. In een lang middenstuk herinnert Oceane zich haar leven in de seksclub in Barcelona en vertelt haar vriend Audley over zijn oorlogservaringen in voormalig Joegoslavië. Deze twee verhalen beslaan ruim de helft van het boek, en dat is te veel. Want hoewel ook hier genoeg te genieten valt van aangename details of van de originele manieren waarop personages worden neergezet – bijvoorbeeld de omschrijving van Audleys vader, die ooit een drenkeling in het water heeft teruggegooid die hem te brutaal was, is er te weinig draagvlak om het geheel te dragen. Oceane merkt het zelf eigenlijk al op: `Een toneelstuk over iemand die op een bus staat te wachten die een uur te laat komt, is nooit zo ergerlijk als het wachten op een bus die een uur te laat komt.' Een ware observatie, maar zo'n toneelstuk is daarmee nog niet direct heel interessant.

In het slotdeel is er weliswaar meer dan genoeg actie: Audley gaat op zoek naar de herkomst van de brieven en Oceane volgt alles vanaf haar computerscherm en videotelefoon. Het verhaal is inmiddels volkomen absurdistisch geworden, maar de merkwaardige en effectieve spanning van het niets uit het begin is verdwenen. De Reis naar het einde van de kamer heeft te lang stil gelegen, en als roman is het boek dan ook mislukt, maar een glansrijke mislukking is het wel.

Tibor Fischer: Reis naar het einde van de kamer. Uit het Engels vertaald door K. Kooman. Arbeiderspers, 245 blz. €19,90

</RE>