Bezig met de nieuwe mens

Het (voor publicatie bestemde) dagboek is een riskant genre. Het aardige is dat iemand die een dagboek publiceert ten overstaan van zijn lezers kan reflecteren op het eigen levensverhaal en het eigen werk. Maar de valkuilen zijn legio: zelfvergroting, ijdeltuiterij, prietpraat.

Uitgeverij De Prom geeft sinds 2001 een serie dagboeken uit, soms resulterend in interessante egodocumenten, zoals die van Willem Jan Otten, Leo Vroman en Willem Barnard. In deze reeks is het nu de beurt aan roman- en toneelschrijver Oscar van den Boogaard (1964), die pardoes in alle valkuilen van het genre is getuimeld. In Inspiration Point, zoals zijn `zomerdagboek' heet, komt de auteur van de romans Dentz (1990), Fremdkörper (1991), Bruno's optimisme (1993), Liefdesdood (1999) en Een bed vol schuim (2002) naar voren als een poseur die weinig te melden heeft en dat weinige beter even voor zichzelf had kunnen houden.

Het dagboek bevat notities die Van den Boogaard in 2003 schreef toen hij met een stipendium van de Deutscher Akademischer Austauschdienst in Berlijn verbleef. Hij was toen in zijn veertigste levensjaar of, om met Dante te spreken, in het midden van zijn leven: tijd om de balans op te maken. Tegen het eind van een nogal onsamenhangend vertelde zoektocht naar zijn identiteit en ambities raakt hij ook nog eens, net als Dante, verdwaald in een duister woud. Om zijn boek te kunnen schrijven wordt hem namelijk een werkruimte in een donker bos bij Berlijn aangeboden. Hier was ooit het atelier van Hitlers favoriete beeldhouwer Arno Breker. Hitler heeft er staan kijken naar de beelden van de nieuwe mens en dat brengt Van den Boogaard in verwarring. `Ik moet hierover nadenken. Ik ben ook bezig met een nieuwe mens'. De `nieuwe mens' die hij wil worden moet een `super-existentialist' zijn. Super-existentialisme `gaat over het leven in de uitvergroting'. In het atelier wil hij `grote onbescheiden gedachten' ontwikkelen.

Dergelijke gedachten zijn in Inspiration Point niet te vinden. Het boek hangt aan elkaar van fragmentarische terugblikken op Van den Boogaards periodes van verblijf in Brussel, Parijs, Los Angeles, New York, Rome en Rio de Janeiro, verhalen die de lezers van zijn in 2000 onder de titel Sensaties gebundelde krantenstukken al zo'n beetje kennen. In die terugblikken gunt de schrijver ons inkijkjes in zijn liefdesrelaties met achtereenvolgens galeriehouder Jan en acteur Steve, zijn vriendschap met de kunstenares Manon en niet te vergeten zijn eigen `binnenwereld'. Dit vreselijke woord valt ettelijke malen: `mijn binnenwereld is buiten', `wil hij zijn binnenwereld met mij delen?', `Is het binnengaan in de buitenwereld het binnengaan in de binnenwereld geworden?'

Van den Boogaard ziet zichzelf als iemand die `tegen de wereld en de literatuur heeft geschreven'. Hij spiegelt zich aan zijn lievelingsschrijver Witold Gombrowicz die, toen hij in 1964 een jaar in Berlijn woonde, ook een dagboek bijhield. Omdat Gombrowicz in zijn dagboek schreef: `Ik schrijf over mezelf – ik heb niet het recht over iets anders te schrijven', meent Van den Boogaard dat het `de taak is van de schrijver' om het over zichzelf te hebben. `En', zo voegt hij daaraan toe, ` zij die hem verwijten dat hij ijdel is hebben ongelijk, want hoewel de schrijver over zichzelf schrijft is hij een ander, en degene die leest is de ik, zo is het, het criterium is dat de lezer in de schrijver een eerlijk man ziet.' Een merkwaardig criterium, want wat heet eerlijk? Een schrijver mag van mij als lezer liegen, bedriegen en erop los fantaseren zolang hij maar iets interessants te vertellen heeft en goed schrijft.

Van den Boogaard heeft, vooral in zijn eerste romans, bewezen dat hij over behoorlijke stilistische vaardigheden beschikt, maar het lijkt wel of hij nu geen enkele moeite meer doet om pregnant, elegant of scherpzinnig te formuleren. Hij doet maar wat. Het dagboek eindigt met een brief aan `lieve Manon' die bestaat uit onder elkaar geplaatste kreten waarin hij zijn levensvisie, het programma van de nieuwe super-existentialistische mens die hij wil worden uiteenzet: `De politiek van het ik./ De super-existentialist is een individualist./ Voortdurend: `ik' en `de ander'./ En een groot verlangen naar `wij', een heel vanzelfsprekend en verbazingwekkend `wij'./ Super-existentialisme is niet een continu gevoel./ Eenzaamheid is de basis/ Het iets wat er af en toe is./ Dat potentieel dat daar is./ Dat opspringt als het moment daar is./ De ik die zich kan opheffen in de ander, in de wereld. Enz. enz.'

Geen pretje om te lezen, deze puberale exclamaties van een verdwaalde in een Berlijns woud.

Oscar van den Boogaard: Inspiration Point. Zomerdagboek. De Prom, 158 blz. €15,95

</RE>