Alles van de Germanen

Ook tijdens het schooljaar 2004-2005 zal het onderwijsproces op bepaalde momenten onderbroken worden. De hoogtijdagen uit de christelijke kalender zijn nog altijd cesuren om schooljaren in clusters te verdelen die voor leerlingen en onderwijzend personeel te overzien zijn. Maar wie weet er nog wat er met Kerstmis, Pasen, Hemelvaartsdag en Pinksteren gevierd wordt? De resultaten van een recent onderzoek onder Nederlandse studenten stemmen tot nadenken. Ruim 50 procent van de ondervraagden zei geen idee te hebben wat er op Goede Vrijdag herdacht wordt; Witte Donderdag is bij driekwart een witte vlek. Slechts 16 procent wist dat Pasen elk jaar op een andere datum valt.

Als zelfs een grote meerderheid van de intellectuele voorhoede verstoken is van kennis van dit facet van het christelijke erfgoed, hoe moet het dan met de rest van de bevolking gesteld zijn? De zorg om het verdwijnen van de kennis van en begrip voor de belangrijkste kalenderfeesten, was voor de Vlaamse godsdienstwetenschapper Bart Lauvrijs reden om oorsprong en betekenis van deze feesten in een handzaam overzicht te boekstaven. De auteur vangt zijn relaas aan met Nieuwjaar en eindigt met Kerstmis. In chronologische volgorde passeren niet alleen de belangrijkste christelijke jaarfeesten de revue, zoals Pasen, Pinksteren en Allerheiligen, maar ook minder bekende gebeurtenissen, zoals Maria-Lichtmis (2 februari) en Maria-Tenhemelopneming (15 augustus). Daarnaast wordt aandacht besteed aan andere festiviteiten waarvan de oorsprong onmiskenbaar in de christelijke traditie gezocht moet worden, zoals Driekoningen, Carnaval, Sint Maarten en Sinterklaas. Als laatste categorie kunnen die feesten genoemd worden waar de directe band met het christendom minder duidelijk is, zoals Valentijnsdag, 1 april, Halloween en – als vreemde eend in de bijt – Moederdag en Vaderdag. Met grote kennis van zaken wordt beschreven op welke wijze en met welk doel het feest gevierd wordt en met welke rituelen en gebruiken de viering gepaard gaat. De schrijver concentreert zich op de ontwikkelingen zoals die zich in Nederland en België hebben voorgedaan, maar laat geen mogelijkheid onbenut om saillante details te vermelden en om verbanden te leggen met festiviteiten of rituelen in andere gebieden of bij andere religies.

In de beschrijving van de oorsprong van de door hem behandelde feesten heeft Lauvrijs zijn fantasie ongeremd de vrije loop gelaten. In zijn relaas vindt bijna elk feest zijn oorsprong bij de Romeinen of Germanen. Het vuurwerk met Nieuwjaar wordt herleid tot de Germaanse gewoonte om bij het begin van het nieuwe jaar de geesten van de overledenen te verjagen, de oliebollen zijn voortgekomen uit de Oud-Germaanse offerbroden, de wortels van Valentijnsdag liggen in een van de belangrijkste Romeinse feesten, de Lupercalia, het carnaval is ontsproten uit `een oer-Indo-Europese cultus' (!), zowel de Grieken (de lachriten van Thessalië), de Romeinen (het narrenfeest Quirinalia) als de Germanen (de Skathi) kenden het gebruik om mensen met 1 april voor de gek te houden. Et cetera, et cetera. In plaats van deze verouderde opvattingen te herkauwen, had te auteur er beter aan gedaan zich te verdiepen in recente etnologische literatuur. Zo had het hoofdstuk `Vieren en markeren. Feest en ritueel' in het in 2000 verschenen boek Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie (dat in de literatuurlijst ontbreekt) de auteur voor een aantal uitglijders kunnen behoeden. Daarin staat dat er van de veronderstelde continuïteit in de viering van feesten veelal geen sprake is en dat feesten en rituelen voortdurend aan veranderde maatschappelijke omstandigheden aangepast worden (of desnoods opnieuw uitgevonden worden), is aan Lauvrijs voorbijgegaan.

B. Lauvrijs: Een jaar vol feesten. Oorsprong, geschiedenis en gebruiken van de belangrijkste jaarfeesten. Standaard Uitgeverij/Elmar, 352 blz. €17,95

</RE>