Afscheid van Citizen Kael

Wat hebben Susan Sontag en Pauline Kael gemeen, behalve dat beide vrouwen grote en bewonderde schrijvers zijn? In Sontag & Kael vergelijkt Craig Seligman de twee grootheden, maar de ambities van Sontag (1933) en Kael (1919-2001) lopen eigenlijk te veel uiteen voor een zinvolle vergelijking. Sontag maakte naam als essayist, schreef succesvolle romans als The Volcano Lover en is sinds de Vietnam-oorlog een geëngageerd deelnemer aan het publieke debat. Pauline Kael was filmcritica. Haar glorietijd bij The New Yorker viel samen met die van de Amerikaanse film in de jaren zeventig, haar artikelen waren soms meer dan 5.000 woorden lang en bevatten talloze scherpzinnige opmerkingen over de Amerikaanse samenleving en populaire verbeelding – maar de kern bleef voor haar toch de film van de week, of dat nu een meesterwerk was van Scorcese of de nieuwste blockbuster. Seligman, die bevriend was met Kael, is dus gedoemd appels en peren te vergelijken. Zijn al te persoonlijke ondertitel (`Opposites Attract Me') is een te zwak fundament.

Op één punt is de vergelijking wél zinvol: de positie die Sontag en Kael hebben ingenomen in de eindeloze discussie over hoge en lage cultuur. Beiden hebben een belangrijke rol gespeeld bij de omslag die begon in de jaren zestig, toen begrippen als `hoog' en `laag' wankelden en waarop later het etiket `postmodernisme' is geplakt. Sontag met `Against Interpretation', `Notes on Camp' en andere essays waarin ze de `nieuwe sensibiliteit' probeerde te definiëren; Kael onder meer in programmatische stukken over `Trash, Art and the Movies'. Instinctief is Sontag een elitair en puriteins denker, maar ze had ook een fijnzinnige antenne voor de nieuwe kunst van de sixties. Dus hield ze haar beroemde pleidooi om de zintuigelijke oppervlakte van kunstwerken centraal te stellen (`Against interpretation'). En ze provoceerde: `Het gevoel (of de sensatie) van een schilderij van Rauschenberg is te vergelijken met een song van The Supremes.' Kael moest van dat soort relativisme niets hebben, hoewel ze van nature een populist was. Ze ging er niet van uit dat het grote publiek zich per definitie vergiste, integendeel, maar praatte het publiek ook niet naar de mond. Ze verdedigde films als trash en als art, maar niet tegelijkertijd. Ze had een hekel aan de volgens haar kritiekloze bewondering voor Hollywood-auteurs van sommige collega-critici. Kael bleef altijd zichzelf, Sontag kreeg later spijt van de omwenteling die ze zelf mede in gang heeft gezet, en begon oude begrippen als serieusheid als criterium voor de beoordeling van kunst te hanteren.

Seligmans vergelijking levert veel minder op als het gaat om de maatschappelijke positie van Kael en Sontag als vrouw, hun politieke overtuigingen en zelfs hun respectievelijke schoonheid (Sontag is de mooiste). Aan het einde worstelt hij opzichtig met de vraag wie nu de grotere schrijver is. Uiteindelijk kiest hij voor Sontag vanwege haar `reikwijdte'. `Iedereen die tot hier gelezen heeft zal begrijpen wat die uitspraak me kost' voegt hij er snel aan toe. `Ik sta er zelf versteld van.' Maar dat eindoordeel verbaast niet echt, want het is dan al duidelijk dat zijn monument voor Kael nogal ambivalente trekken heeft. Seligman staat opvallend lang stil bij Kaels misplaatste toon in haar bespreking van Lanzmanns Shoah en bij een bot grapje dat ze ooit maakte over homoseksuelen. Hij citeert ruimhartig uit de kritiek op Kael. Hij leerde Kael kennen toen hij als typist werkte bij The New Yorker. In het laatste decennium van haar leven waren ze dik bevriend. Dit boek lijkt hij te hebben geschreven om aan haar schaduw te ontsnappen. Dat is hem gegund, maar hij had zich nuttiger kunnen maken door een mooie biografie van Kael te schrijven – daar moeten we nu nog een jaar op wachten.

Craig Seligman: Sontag & Kael. Opposites Attract Me. Counterpoint, 244 blz. €24,31

</RE>