Zomer in de stad

Zo beroerd gaat het nou ook weer niet in Nederland. Deze vaststelling is niet gebaseerd op lijvige rapporten, maar op nuchtere waarnemingen. De klachten over falende openbare diensten, de voorspellingen over de onhoudbaarheid van het multiculturalisme en de onheilspellende waarschuwingen over het komende einde van de nationale welvaart worden niet ondersteund door deze zomer vanuit mijn werkplek naar buiten te kijken. Dat zit zo. Afgelopen maand is de vestiging van de Haagse redactie van NRC Handelsblad, waar deze column geschreven wordt, verhuisd. Het is een verplaatsing met een interessant journalistiek neveneffect. De Haagse redactie zit nu in een pand aan het Spui, in het hart van de stad. Hemelsbreed is dat een paar honderd meter van het vorige kantoor, maar het is een wereld van verschil.

Door iedere stad lopen onzichtbare lijnen die sociale, economische, culturele en vaak ook etnische scheidingen markeren. Een verplaatsing van honderd meter kan de overgang betekenen van de ene urbane omgeving naar de andere. Nergens staan de scheidingen aangegeven, maar ze zijn er en iedere ingeburgerde stadsbewoner weet nauwkeurig waar ze lopen. Het is meer dan een kwestie van geografie, het gaat om de stedelijke beleving. Gebouwen, winkels, plaveisel, geluiden en geuren, bedrijvigheid, verkeer, mensen en bezigheden maken het verschil.

Het vorige Haagse redactiekantoor van deze krant stond achter de Kloosterkerk, waar de koningin ter kerke gaat, naast het gebouw van de Algemene Rekenkamer, tegenover het gebouw van de Raad van State en om de hoek van het Lange Voorhout, waar ambassades en public affairs-bureaus zijn gevestigd. Tot de meer opmerkelijke straatgeluiden die er binnendrongen, behoorde de woensdagse tocht van paardenkoetsen met ambassadeurs die hun geloofsbrieven op Paleis Noordeinde gingen aanbieden. De nieuwe locatie biedt op woensdag de vrolijke tonen van een draaiorgel, heeft uitzicht op de perstoren van de Tweede Kamer, de Burger King, Kentucky Fried Chicken en Swiss Casino en is gevestigd boven een AH to Go-winkel. De nabijgelegen winkelstraten zijn rijkelijk voorzien van shoarma-zaken, goedkope textiel en telefoonaanbieders.

De stedelijke scheidslijn loopt in de Haagse binnenstad over het Spui. Aan de ene kant bevinden zich het voorname Noordeinde, het Buitenhof, de Lange Vijverberg en het Plein, aan de andere kant de volkse Grote Marktstraat en wat daarachter ligt. Deze hoek van het Spui vormt een schemerzone, ooit chic, daarna decennia slachtoffer van verwaarlozing en verval. Vijfentwintig meter naar links is de ingang van de deftige Passage. Vijfentwintig meter naar rechts en je valt in het gat van de tramtunnel. Het Haagse gemeentebestuur wil de kwaliteit van het stadscentrum opwaarderen en het zou me niet verbazen dat onze journalistieke vestiging op het stadhuis is verwelkomd als een nieuw bruggenhoofd in het offensief om de urbane frontier gestaag te verplaatsen.

En nu de inzichten die deze sleutellocatie in het stadscentrum verschaft. Het straatleven heeft een vast ritme. 's Morgens vroeg lopen een paar `instroombaners' de achtergebleven rotzooi van het afgelopen etmaal weg te prikken. Het grofvuil wordt opgehaald. Aan het gerinkel van de glascontainer te horen is de drankomzet bij de naastgelegen disco 's nacht aanzienlijk geweest. Daarna komen de vrachtauto's van de leveranciers om de winkels van nieuwe voorraden te voorzien. De bedrijvigheid neemt toe, er worden noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden verricht. Trams rijden af en aan, bij de halte stappen ploegjes geüniformeerden in om de passagiers op hun plaatsbewijzen te controleren. Er verschijnen surveillerende agenten, slenterend of in zomerse outfit op mountainbikes. Kleine onregelmatigheden lossen ze op met verbale overreding en als dat niet lukt, verschijnen er politieauto's met meer blauw. Zo nu en dan botst er iets tegen elkaar en het is verbazingwekkend hoe snel hulpdiensten ter plaatse zijn.

Geleidelijk begint een veelkleurig publiek de straten te vullen, de multiculturele samenleving als alledaags stedelijk mozaïek. Wat doen al die mensen? Ze slenteren, ze kopen en ze consumeren, de hele dag door. Er zijn toeristen die de weg vragen, islamitische vrouwen met hoofddoeken en schaars geklede zwarte meiden, mannen met sportpetjes en kleurige T-shirts, ouders met kleine kinderen, bejaarden op scootmobiels en jongens op brommers, mensen van alle leeftijden op de fiets en een enkele ambtenaar met stropdas. Zomer in de stad – en wat het allermeest opvalt: het is van een onwaarschijnlijke gemoedelijkheid.

Dit ontspannen straatleven speelt zich af op een steenworp afstand van het Binnenhof en twee steenworpen van het Torentje van premier Balkenende. Den Haag is tijdelijk centrum van Europa, Balkenende is dit halfjaar voorzitter van de Europese Raad. Hij ontvangt regelmatig buitenlandse politieke gasten. Zelfs dan is de wijde omgeving niet afgezet, alleen maar de directe toegang tot het kantoor van de premier. Er zijn geen permanente wegbarricades en geen controleposten van de politie. Van de verhoogde staat van paraatheid in verband met terrorismedreiging is niets zichtbaar.

Summer in the City was de hit van The Lovin' Spoonful in 1966. Zo opwindend is het niet in Den Haag. Maar de stad werkt en functioneert, mensen in alle soorten en kleuren genieten van welvaart, vrije tijd en vrijheid. Straks gaat het parlementaire seizoen weer van start en worden de discussies over de betaalbaarheid van de pensioenen, de houdbaarheid van de verzorgingsstaat, de noodzaak van langer werken in het licht van de vergrijzing en de verontwaardiging over alle mogelijke maatschappelijke misstanden weer breed uitgemeten. Ze stroken niet met de simpele waarnemingen uit de zomerse stad.

rjanssen@nrc.nl