Topinkomens in de knel

Deze krant wordt vooral gesavoureerd door bemiddelde lezers. Meer dan een kwart van hen maakt deel uit van een huishouden met een bruto jaarinkomen van 70.000 euro of meer. Ook deze lezers in redelijk goeden doen zullen zich wel eens afvragen waarom toplui uit het bedrijfsleven vele honderdduizenden of zelfs enkele miljoenen euro's per jaar toucheren. Zijn die bedragen ergens op gebaseerd? Zowel hier als elders stijgen de topinkomens bovendien veel sneller dan de salarissen van het kader en de mensen op de werkvloer. In 1980 verdiende de bestuursvoorzitter van een van de 500 grootste Amerikaanse ondernemingen gemiddeld 40 keer zo veel als de doorsnee werknemer in zijn bedrijf. Vorig jaar verdiende hij 530 maal zo veel. ,,Op Gods planeet is geen enkele economische theorie die dit kan rechtvaardigen'', citeert de Financial Times van twee dagen geleden William McDonough, voorzitter van de Amerikaanse Public Company Accounting Oversight Board. Verder valt op dat veel slecht presterende bedrijven hun bestuurders torenhoge bedragen blijven betalen.

In Europa zijn de inkomensverschillen minder extreem dan in de Verenigde Staten. Maar veel bedrijven en semi-publieke instellingen, zoals ziekenhuizen, lijken verwikkeld in een inhaalrace. Zo verdubbelt tussen 2002 en 2004 de beloning van de Nederlandse bestuurders van de ING Groep tot 1,875 miljoen euro per persoon. De raad van commissarissen, die in dezen het laatste woord heeft, stelt bij monde van zijn voorzitter dat de beloning van de ING-bestuurders wordt opgetrokken naar marktconform niveau. Daarbij spiegelen commissarissen zich aan de exorbitante salarissen (inclusief bonussen en aandelenopties) die bij andere, min of meer vergelijkbare bedrijven worden toegekend. Dat is niet onbegrijpelijk, maar zo ontstaat een haasje-over naar boven, waarbij ook in ons land de band met werkelijk geleverde prestaties steeds meer wordt uitgerekt.

Economen hebben geen bevredigende verklaring voor de race naar steeds hogere beloningstoppen. De sociale psychologie biedt uitkomst. Door twee oorzaken staat de welvaart van de meestverdieners veel sterker onder druk dan die van stervelingen met kleine cijfers op hun salarisstrook.

Ten eerste stijgen de kosten van levensonderhoud van de rijken veel sneller. Zij hebben dus behoefte aan veel hogere bedragen wegens prijscompensatie. Dat vereist enige toelichting. Dit jaar is het leven gemiddeld 1,5 procent duurder dan vorig jaar. Wanneer iemands inkomen even hoog is als in 2003, holt de inflatie de koopkracht van zijn inkomen dus met 1,5 procent uit. Maar de koopkracht van topverdieners daalt veel sterker, doordat zij hun inkomen deels besteden aan goederen en diensten waarvan de prijs meer dan gemiddeld stijgt. Het gaat om persoonlijke dienstverlening door de chauffeur, de butler en ander huispersoneel.

Het is een ervaringsfeit dat de loonkosten van deze dienstverleners veel sneller stijgen dan de gemiddelde kosten van levensonderhoud. Dit confronteert de rijken met extra inflatie. Omdat arbeidsintensieve dienstverlening onbetaalbaar is geworden, klussen veel mensen aan hun eigen huis, of ze wijken uit naar het zwarte circuit. Dat is echte topverdieners te min. Daarom stellen zij extra inkomenseisen, om zich te wapenen tegen de sterkere erosie van hun koopkracht door de snel duurder wordende chauffeur, tuinman en butler.

Toch biedt het hogere persoonlijke inflatiecijfer slechts een deel van de verklaring voor excessieve salarisverbeteringen aan de top. Nederland telt inmiddels al honderdduizend euromiljonairs. Zoveel rijkdom maakt het steeds lastiger de eigen status via demonstratieve consumptie te tonen. Een dure auto, verre vakanties en de aanschaf van een vleugel zijn al lang niet meer geschikt om zich voldoende te onderscheiden. Dat kan alleen door de aankoop van unieke zaken, zoals een heel bijzonder huis of een in het oog springend kunstwerk. Maar het aantal fraaie huizen met grote tuinen en het aantal schilderijen van oude meesters is beperkt. De prijzen van villa's en kunstvoorwerpen stijgen daardoor veel sneller dan de kosten van het dagelijks levensonderhoud. Doordat een groeiende groep hoge-inkomenstrekkers jacht maakt op zulke schaarse `positionele goederen', moeten zij bij scherp oplopende prijzen hun inkomen wel extra opschroeven.

De inkomensrace naar de top valt dus vooral psychologisch te verklaren. Leiders van grote bedrijven meten hun gevoel van eigenwaarde af aan wat anderen in een vergelijkbare positie meepakken. Zich beroepend op professioneel advies van beloningsbureaus trekken de `captains of industry' zich aan elkaars haren omhoog, uit angst anders niet voor vol te worden aangezien. Sommigen verwachten dat openbaarheid van topinkomens dit proces zal afremmen. Het is eerder andersom. Toenemende transparantie van beloningen aan de top heeft als pervers effect dat alle `achterblijvers' zich richten naar het salaris van de grootste verdiener van dat moment.

Naarmate de inkomens van de topgroep hierdoor verder stijgen, gaan nóg meer dollars en euro's op jacht naar schaarse positionele goederen. De inflatie voor de superrijken loopt hierdoor extra op, wat in hun beleving een volgende ronde buitensporige inkomensverbeteringen rechtvaardigt. Zo ontstaat een emolumentair perpetuum mobile: een loterij waarbij de beslissers elkaar uitsluitend hoofdprijzen uitkeren. De nieten zijn voor de massa, vrijwel alle redelijk bemiddelde lezers van deze krant daaronder begrepen.