`Toets nodig na doding pasgeborenen'

De landelijke artsenorganisatie KNMG wil een heldere regeling voor de levensbeëindiging van ernstig gehandicapte pasgeborenen. Een toetsingsprocedure moet ertoe leiden dat meer artsen het melden wanneer ze hiermee te maken hebben.

Dat schrijft de KNMG in een brief aan staatssecretaris Ross (Volksgezondheid, CDA). Wanneer na een geboorte door arts en ouders wordt besloten om het leven van een ernstig gehandicapte baby te beëindigen, wordt dit zelden of nooit

gemeld. De KNMG noemt het ,,ongewenst dat op dit handelen niet extern wordt toegezien''.

Veel artsen hanteren bij hun doen en laten bij ernstig gehandicapte pasgeborenen de normen en zorgvuldigheidseisen die in 1992 door de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde werden geformuleerd. Ook gebruiken artsen, onder meer bij wilsonbekame volwassenen, de regels die een KNMG-commissie in 1997 op papier zette. Maar door het ontbreken van een adequate procedure voor melding en toetsing is er geen discussie meer over die normen. Bovendien raken ze in de vergetelheid waardoor daar op den duur de hand niet meer aan wordt gehouden, zo vreest de organisatie.

Een meldings- en toetsingsregeling voor levensbeëindiging bij wilsonbekwamen staat al meer dan een decennium ter discussie. Toenmalig minister Borst (Volksgezondheid, D66) beloofde in de discussie over legalisering van de euthanasie al te bezien of een aparte toetsingscommissie voor levensbeëindiging bij wilsonbekwamen juridisch haalbaar zou zijn.

In juni hebben Ross en minister Donner (Justitie, CDA) de Kamer toegezegd dit najaar een standpunt over de toetsingscommissies naar de Kamer te sturen. In reactie op de brief van de KNMG zegt een woordvoerder van Ross dat de staatssecretaris en Donner in hun standpunt zullen aandringen op snelle totstandkoming van gedragsrichtlijnen die vooraleerst door de beroepsgroep zelf moeten worden geformuleerd.