Theorie Hockney weerlegd

Een drie jaar oude kunsthistorische discussie over de vraag of kunstenaars in de vroege Renaissance gebruikmaakten van camera-achtige hulpmiddelen om perspectief te kunnen schilderen, is opnieuw opgelaaid. De theorie werd in 2001 geopperd door schilder David Hockney, maar gisteren weerlegd door een onderzoek van de universiteit van Stanford.

Volgens Hockney zouden schilders als Jan van Eyck al in 1420 de beschikking hebben gehad over optische instrumenten waarmee zij voorstellingen op hun doeken projecteerden. Alleen dat kon de reden zijn voor de uitbarsting van realisme in de Europese schilderkunst. Als belangrijkste voorbeeld noemde hij de kroonluchter op Van Eycks schilderij Portret van Arnolfini en zijn vrouw uit 1434. Die was volgens Hockney zo perfect dat Van Eyck wel hulpmiddelen gebruikt moest hebben.

Onderzoekers Antonio Criminisi en David Stork vinden dat onzin. Het perspectief van de kroonluchter, zeggen zij, is nauwelijks perfect te noemen. Gebruikmakend van digitale beeldregistratietechnieken waarbij geometrische modellen op de voorstelling geprojecteerd worden, toonden de wetenschappers aan dat de diverse armen van de kroonluchter niet identiek zijn. Als Van Eyck met een geslepen spiegel gewerkt had, zouden de armen in de projectie moeten samenvallen.

Het kan natuurlijk zijn dat de kroonluchter die model heeft gestaan zelf niet perfect van vorm was. Al zijn de vormfouten volgens de wetenschappers zo in het oog springend dat zelfs een eenvoudige ambachtsman ze eruit had kunnen halen. Er bleef daarom maar één conclusie over, zei Criminisi gisteren tegen de New York Times: ,,Dat Van Eyck zijn schilderij met het blote oog geschilderd heeft.'' Ze namen de proef op de som door de Britse kunstenaar Nicholas Williams een soortgelijke kandelaar te laten schilderen. Ook die bleek niet perfect, maar was wel vele malen beter dan die van Van Eyck.