Het Nederlands belang (en nog wat)

't Was in 1959 of daaromtrent. Prins Bernhard kwam van een van zijn verre reizen terug en werd op Schiphol door journalisten ondervraagd. Een van hun vragen (of misschien was het een mededeling) deed hem uitbarsten: ,,Welke idioot van Buitenlandse Zaken...?'' De rest van die eruptie en de aanleiding ertoe ben ik vergeten; ze doen verder ook niet ter zake.

Maar ik moest er weer aan denken toen een vriend en oud-collega mij opmerkzaam maakte op een passage in het Jaarbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken over het jaar 2003 (verschenen in mei 2004). Daarin staat dat het Nederlands buitenlands beleid vijf ,,hoofddoelstellingen'' kent. Die zijn: ,,Het bevorderen van internationale ordening; het bevorderen van internationale vrede; veiligheid en stabiliteit; de Europese integratie; duurzame armoedebestrijding; het onderhouden en bevorderen van bilaterale betrekkingen.''

Mijn vriend had Buitenlandse Zaken opgebeld en gevraagd of het behartigen van het Nederlands belang dan niet een hoofddoelstelling was. Het antwoord luidde dat men zo'n formulering te ,,heikel'' vond. Nu, dat antwoord was dan misschien niet `idioot', maar het getuigde wèl van een overmatige vrees zich aan koud water te branden.

Denkt Buitenlandse Zaken dat we nog in de jaren '60 of '70 leven, toen het Nederlands belang inderdaad als een vies woord gold? Toen leken de belangen van welk derdewereldland dan ook belangrijker te zijn dan het Nederlandse. Ik zeg: leken, want in werkelijkheid was dat natuurlijk niet zo. Het Nederlands belang had ook in die dagen wel degelijk prioriteit. Alleen mocht het niet gezegd worden.

Wie overigens die `men' was die die formulering te `heikel' vond (waarom gebruikt BZ een Duits woord, terwijl er heel goede Nederlands equivalenten als hachelijk, netelig, delicaat, riskant bestaan?), is onbekend. Minister Bot kan het moeilijk zijn, want in een vraaggesprek in onze krant (14 augustus) spreekt hij onbeschroomd over het Nederlands belang, waardoor hij zich laat leiden. ,,Al dat gepraat en gewijs met de vinger zet vaak weinig zoden aan de dijk. Je moet je goed afvragen: waar wil ik in het Nederlands belang heen en hoe kom ik daar?'' Deze no-nonsense-opvatting is blijkbaar nog niet tot alle lagen van Bots eigen ministerie doorgedrongen.

Dat is des te merkwaardiger omdat Bot niet de eerste is die het begrip Nederlands belang vrijmoedig hanteert. In de memorie van toelichting van het ministerie voor het jaar 2000 bijvoorbeeld wordt onder de doelstellingen van het buitenlands beleid genoemd: ,,het bevorderen van de internationale rechtsorde en veiligheid, het nastreven van nationale belangen...'' Dat was onder minister Van Aartsen.

Nu valt op die formulering ook wel iets aan te merken. Ze doet het voorkomen alsof het bevorderen van de internationale rechtsorde en veiligheid apart staat van het nastreven van nationale belangen. Ook dat is natuurlijk niet zo. Het bevorderen van de internationale rechtsorde en veiligheid behoort tot de nationale belangen.

Beter is dan ook een formulering als deze: het nastreven van het Nederlandse belang is de hoofddoelstelling van het buitenlands beleid, en daaronder valt... Vul zelf verder maar in. Per slot van rekening kan zelfs het opgaan van de Nederlandse staat in een Europese supranationale eenheid als in overeenstemming met het Nederlandse belang worden geconstrueerd. Het begrip is, met andere woorden, weinig werkbaar; maar daarom bestaat dat belang nog wel al was het slechts, zoals beauty, in the eye of the beholder.

ERRATA

1. Tocqueville. In mijn artikel van 12 augustus schreef ik dat Tocqueville zich in een brief aan een vriend christen had genoemd ,,ik zal niet zeggen: uit geloof, maar uit gevoel (goût) en, als ik het zo mag zeggen, uit temperament''. Bij herlezing van die passage, die ik had gevonden in het boek over Tocqueville van Agnes Antoine, L'impensé de la démocratie, blijkt mij dat Tocqueville dit niet van zichzelf gezegd heeft, maar, in zijn Souvenirs, van zijn vriend Jean-Jacques-Antoine Ampère. Het is Agnès Antoine die schrijft dat dit ook van Tocqueville gezegd zou kunnen worden.

2. Goejanverwellesluis. In mijn artikel van 19 augustus heb ik mijn nageslacht er valselijk van beschuldigd niet te weten wat Goejanverwellesluis, de plaats aan de Hollandse IJssel waar in 1787 prinses Wilhelmina, de vrouw van stadhouder Willen V, door de Patriotten werd aangehouden, is.

Welnu, twee van mijn zeven Nederlandse kleinkinderen protesteren. De ene heeft dit geleerd toen hij in 1998 voor zijn eindexamen de periode 1780-1830 moest bestuderen, en de andere had die wetenschap uit Van nul tot nu, een vaderlandse geschiedenis in stripverhaalvorm (laten we dus niet denigrerend doen over zulke hulpmiddelen).

En mijn kinderen? Ook die zeggen wel min of meer te weten wat er in Goejanverwellesluis is gebeurd. Onzekerheid bestaat alleen over de vraag of ze het nog van school weten dan wel omdat ik het hun in hun kinderjaren verteld heb toen wij, op een ANWB-wandeling langs de Hollandse IJssel, die plek passeerden. Hoe dit ook zij met deze verklaring is, hoop ik, de vrede in de familie hersteld.

Maar... ondertussen hebben mij gedetailleerde mededelingen bereikt waaruit blijkt dat prinses Wilhelmina helemaal niet bij de Goejanverwellesluis is aangehouden, maar lichtelijk ten zuidwesten daarvan, nl. aan de Vlist ten zuiden van Haastrecht. Daarna werd zij, met haar gezelschap, naar Goejanverwellesluis begeleid (daartoe moest zij de Hollandse IJssel per voetveer oversteken), waar zij niet in een herberg, maar in een boerderij verbleef totdat zij haar gedwongen terugreis naar Nijmegen kon aanvaarden.

Ik troost mij met de gedachte dat prof. P. Geyl, de historicus die als geen ander gestreden heeft voor eerherstel voor de Patriotten, dit blijkbaar ook niet wist, want in zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam schrijft hij dat prinses Wilhelmina ,,op één van de strategische punten van de Hollandse grens, Goejanverwellesluis, (...) door een daar geposteerde burgerafdeling aangehouden'' werd.