Een pijnlijke nastoot voor Shell (Gerectificeerd)

Rapporten van buitenlandse beurstoezichthouders over de reserveszaak van Shell bevatten nieuwe pijnlijke details. Ook over bestuursvoorzitter Jeroen van der Veer en zijn voorganger Philip Watts.

Met zichtbare tevredenheid maakte bestuursvoorzitter Jeroen van der Veer van de Koninklijke/Shell Groep een maand geleden bekend dat zijn bedrijf schikkingen had getroffen over de reserveszaak. Sinds gisteren zijn de onderzoeksgegevens beschikbaar die Shell ertoe noopten 120 miljoen dollar en 17 miljoen pond uit te keren aan de Amerikaanse beurstoezichthouder SEC en diens Britse evenknie FSA. In de rapporten staat weinig waar Shell tevreden over kan zijn.

De FSA schrijft dat de meldingen van Shell over de reserves de afgelopen jaren ,,vals en misleidend' waren. En de gevreesde SEC stelt dat Shell geen adequate interne controles had en dat het concern ,,wist, of had moeten weten, dat de reserves niet voldeden aan de richtlijnen'.

Eerder dit jaar werd de oliegigant gedwongen 23 procent van zijn bewezen olie- en gasreserves af te boeken. Drie topmanagers sneuvelden, onder wie groepsvoorzitter Sir Philip Watts en productiechef Walter van de Vijver. Ook publiceerde Shell zelf een samenvatting van een pijnlijk extern onderzoek naar de reserveszaak. In dit stuk – van het Amerikaanse advocatenkantoor Davis Polk & Wardwell – stond hoe de hoogste Shell-managers al sinds 2002 heftig ruzieden over de reserves.

Uit de onderzoeksrapporten van de SEC en de FSA blijkt dat het erger was. Zo was Shell zich al sinds eind jaren negentig bewust van groeiende problemen met reserves, en loste Shell dat op door vanaf 1998 interne definities op te rekken. Al in 2000 ontstond in de Shell-leiding onmin over de ernst van het probleem. Zo blijkt het management van de kern van het bedrijf, Exploratie en Productie (EP), 31 januari 2000 te zijn geconfronteerd met het bestaan van artificiële reserveboekingen in Nigeria. Op grond daarvan werd de EP-leiding, destijds voorgezeten door Watts (hij werd in 2001 groepsvoorzitter), meegedeeld dat de vervangingsratio voor reserves, die in een gezond oliebedrijf minimaal 100 procent is, in 1999 was teruggevallen naar 37 procent. Shell teerde dus in op zijn reserves: van de olie die het uit de grond haalde werd slechts 37 procent vervangen door nieuwe voorraden. De EP-leiding, zo blijkt uit de rapporten van de SEC en de FSA, was evenwel niet gediend van deze feiten. Ze werden ,,krachtig afgewezen'. Een kleine drie maanden later maakte Shell een vervangingsratio over 1999 van 56 procent openbaar.

De opvolger van Watts, huidig topman Jeroen van der Veer, heeft eerder zuinigjes beaamd dat hij als lid van de groepsdirectie op de hoogte was gesteld van problemen met de reserves. ,,Ik heb de ernst en de omvang van het probleem niet op waarde geschat', zei hij dit voorjaar. Dat was niet van logica ontbloot. Hij had destijds geen verantwoordelijkheid voor de reserves. En in het door Shell gepubliceerde rapport van Davis Polk & Wardwell was terug te zien dat de groepsdirectie slechts éénmaal, in februari 2002, was verwittigd van mogelijke overtreding van SEC-regels. Productiechef Walter van de Vijver stuurde hierover destijds een Note for Information aan de groepsdirectie. President-commissaris Aad Jacobs legde later uit dat in de Shell-gebruiken zo'n Note for Information een lage attentiewaarde, de laagste van allemaal, wordt toegekend.

Zodoende was er iets voor te zeggen dat Van der Veer niet gealarmeerd was geraakt toen Van de Vijver in 2002 de problemen met de reserves meldde. Zeker als je wist, zoals in het `Davis Polk'-stuk stond, dat in een latere vergadering over hetzelfde onderwerp, in juli 2002, door Van de Vijver was gesuggereerd dat het reservesprobleem weggemasseerd kon worden door ,,op tijd' te spelen. Maar uit het onderzoeksrapport van de SEC blijkt nu dat deze weergave van `Davis Polk' onvolledig was. De SEC citeert de notulen van de vergadering van 22 en 23 juli 2002 waarin de groepsdirectie de reserveproblemen besprak. Daaruit blijkt dat de groepsdirectie, inclusief Van der Veer, exact met de neus op de feiten is gedrukt. Er staat in, aldus de SEC, dat ,,sommige boekingspraktijken [van reserves] in het verleden te agressief zijn geweest'. En in de door Van de Vijver voor de vergadering aangeboden documenten worden projecten in Australië en Nigeria genoemd waar vermoedelijk onterecht reserves waren geboekt. Van de Vijver had er zelfs een schokkend cijfer bijgeleverd: als je de vermoedelijk onterechte boekingen in aanmerking nam, zou de vervangingsratio van Shell over de laatste tien jaar dalen van de aan de markt gepresenteerde 102 procent naar 88 procent.

De rapporten van de SEC en de FSA zijn op deze punten vrijwel identiek. Toch zijn er verschillen. Zo wordt de rol van de externe reservestoezichthouder, Anton Barendregt, verschillend beoordeeld. De SEC is opmerkelijk negatief over Barendregt. Hem wordt verweten dat hij soms zelfs lokale Shell-managers probeerde te overtuigen onjuist geboekte reserves toch in de overzichten op te nemen. Anderzijds kent de SEC klaarblijkelijk weinig waarde toe aan de vele waarschuwingen die Barendregt in de loop der jaren in zijn rapporten liet doorklinken. De Britten doen dat juist wél: zij sommen ze allemaal op, vrijwel steeds gevolgd door de waarneming dat de waarschuwingen in de wind werden geslagen. Op één punt zijn SEC en FSA eengezind: het ontbrak aan functionele onafhankelijkheid bij Barendregt – hij legde verantwoording af aan de mensen die hij moest controleren.

De commissarissen van de Koninklijke/Shell Groep komen er in beide onderzoeken gunstig af. De SEC en de FSA zijn het erover eens dat zij onvoldoende informatie van het management hebben gekregen om de ernst van de zaak te doorgronden. Een rapport van 26 augustus 2003 bevatte de opmerking dat ,,de meeste, zoniet alle' problemen met de SEC en/of de reserves waren op te lossen. De commissarissen hoefden niet door te vragen, is de impliciete opvatting van zowel SEC als FSA. Ook blijkt zich een incident te hebben voorgedaan rond de Conference van december 2003, de vergadering waarin alle directeuren en commissarissen samenkomen. Achteraf blijkt voor die vergadering een presentatie te zijn voorbereid, waarin de hoeveelheid onregelmantair geboekte reserves ,,significant' werd genoemd. De presentatie is destijds verspreid onder Shell-directeuren, maar om onheldere redenen nooit gehouden.

De SEC en de FSA zijn niet klaar met de zaak. De SEC schrijft expliciet dat het nog onderzoek doet naar individuele betrokkenen bij de reservezaak. De FSA beperkt zich tot de mededeling dat het nog ,,andere aspecten' tegen het licht houdt. Feit is dat de zaak bij de SEC en de FSA voor Shell als onderneming nu achter de rug is. Wel loopt nog onderzoek bij de Amerikaanse justitie. Over de inhoud en voortgang daarvan is weinig bekend.

Shell heeft de eigen strategie tot nu toe vrijwel puntgaaf uitgevoerd. Door volledige medewerking aan de onderzoeken te verlenen is de boete voor Shell lager uitgevallen, schrijven zowel SEC als FSA. Het lot van de individuele betrokkenen staat er minder overzichtelijk voor. Zo is de gouden handdruk die het bedrijf onlangs met Van de Vijver overeenkwam, mede afhankelijk van de voortgang van de onderzoeken. Diezelfde Van de Vijver heeft eerder in een verklaring gesteld dat hij binnen Shell diverse malen heeft aangedrongen op openbaarmaking van de overtredingen van SEC-regels die intern waren vastgesteld. Deze feiten staan niet in alle nu bekende onderzoeken. Het is een mooie vraag voor de komende tijd: zal Van de Vijver zich voldoende vrij voelen die feiten alsnog aan onderzoekers prijs te geven?

Rectificatie

Shell

In het artikel Een pijnlijke nastoot voor Shell (26 augustus, pagina 13) staat dat de reserves-toezichthouder van Shell, Anton Barendregt, door de Amerikaanse toezichthouder SEC is ,,verweten dat hij soms zelfs lokale Shell-managers probeerde te overtuigen onjuist geboekte reserves toch in de overzichten op te nemen'. Dit is onjuist. In het SEC-rapport staat dat hij lokale managers soms adviseerde de boeking van bewezen reserves te onderbouwen met ontwikkelingsplannen die waarschijnlijk nooit zouden worden uitgevoerd.