Blijven of gaan

Eén dode militair, twee weken geleden in een hinderlaag gesneuveld, heeft de stemming in de Tweede Kamer over de missie in Irak doen omslaan. Nog slechts enkele parlementariërs spreken over voortzetting van de Nederlandse militaire aanwezigheid in Zuid-Irak tot nà de einddatum van het mandaat, maart volgend jaar. Voor de meeste Kamerleden is de vraag niet meer aan de orde hoe lang `we' daarna nog zullen blijven. De dood van een wachtmeester van de marechaussee en de schokkende omstandigheden waaronder hij sneuvelde, hebben andere, urgentere vragen opgeroepen. Kan Nederland zijn werk in Al Muthanna nog naar behoren verrichten en, zo niet, moeten de Nederlandse troepen eventueel vervroegd terugkeren?

Optimisme over de relatieve rust in Zuid-Irak en over het feit dat de Nederlanders daar meer dan een jaar zonder brokken nuttig werk konden doen, heeft plaatsgemaakt voor een zekere somberheid. Of moet men zeggen: een zeker realisme? Want met het toenemen van de onrust in het naburige Najaf, kwam de oorlog naderbij. De realiteit is nu zoals die vanaf het begin had kunnen zijn. Nederland is met 1.300 man aanwezig in een streek waar anarchie en chaos heersen en waarin francs-tireurs het recht van de sterkste laten gelden. Niet voortdurend, maar wel vaak genoeg om in te zien dat de achterliggende maanden die van een ver en kalm front waren: van het zuiden geen nieuws. In feite heeft het oorlogsgevaar steeds op de loer gelegen. De missie in Irak is van meet af aan een riskante geweest.

Uiteindelijk zijn ook Nederlandse militairen onder vuur komen te liggen. Wat daarvan de consequenties kunnen zijn, is op het Binnenhof doorgedrongen. De gedachte aan slachtoffers, aan ontrouwe Iraakse veiligheidstroepen en een uit pragmatisme deloyale bevolking, aan terugvechten in plaats van vrede stichten – die gedachte kan niet langer worden weggedrukt. Daarvoor waren de aanvallen in de nacht van 14 op 15 augustus te ernstig en te goed voorbereid. De troepen krijgen van minister Kamp (Defensie, VVD) versterking in mankracht en materieel. Dat is de enige verstandige maatregel die de bewindsman kon nemen. Als Nederlandse militairen worden aangevallen, moeten ze zich naar hun geweldsinstructies kunnen verdedigen. Maar meer mensen betekent ook meer risico's. Belangrijker is dat door de extra pelotons en het toenemende gebruik van pantserwagens de aard van de missie verandert. Niet alleen voor de Nederlanders, maar ook voor de lokale bevolking. Die ziet Nederlandse militairen zich manifesteren zoals de Amerikanen dat doen: bezetters die hun tanks niet uitkomen en schieten in plaats van praten.

Nederland zit in Irak op verzoek van de Iraakse interim-regering, de Verenigde Naties en omdat de Amerikanen het vroegen. Nederland is in tegenstelling tot de Verenigde Staten en Groot-Brittannië formeel geen bezettingsmacht. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat de Nederlandse troepen helpen om van Irak een stabiel en veilig land te maken. Helemaal `schoon' is dat werk niet, maar het vuile van een oorlog voeren is iets heel anders. In toenemende mate krijgt ons land te maken met een schier uitzichtloze guerrilla. Het risico bestaat dat daardoor de Nederlandse manschappen hun oorspronkelijke taak als wederopbouwers en ordehandhavers niet langer kunnen uitvoeren. Dat is het moment om te vertrekken. De timing is essentieel. Te vroeg weggaan is vaandelvlucht en veronachtzaamt de verantwoordelijkheden die de buitenlandse troepen in Irak dragen. Maar als het moment wordt bepaald door een stijgend aantal Nederlandse slachtoffers, is het te laat. Een enkele omgekomen Nederlandse militair, hoe intens ook betreurd, is nog geen reden voor vertrek. Een vredesmissie die ontaardt in oorlog is dat wel.