Ai, Amsterdam

Op de stoep voor het Centraal Station van Amsterdam wordt op allerlei manieren voor het leven gevochten. De gehaaste reiziger zou het allemaal zelf kunnen zien als hij er de tijd voor had. Maar hij moet verder, zijn eigen leven roept hem.

Op een regenachtige middag stond er tussen de buien door een Afrikaanse man in een spijkerpak op een trompet te blazen. Onder zijn linkerarm hield hij een grote taperecorder gekneld die voor de begeleidende klanken moest zorgen – een zelfgemaakte ritmesectie. Aan zijn voeten stond een doosje waarin je munten kon deponeren. Vrijwel niemand nam de moeite.

Juist omdat hij zulke pakkende, vrolijke wijsjes speelde, straalde de muzikant een grondeloze droefgeestigheid uit. Hij bleef er monter bij kijken, wat het alleen nog maar erger maakte. Elke keer dat een voorbijganger zijn kant opkeek, zocht hij snel oogcontact om de ander tot een gift te verleiden. Hij moest een ervaren straatmuzikant zijn.

Deze middag had hij de pech dat de aandacht volledig van hem werd afgeleid door een incident verderop. Sinds het Nederlandse taxiwezen is geliberaliseerd, spelen er zich wonderlijke taferelen af, vooral bij dit station. Taxichauffeurs lijken zich nog sneller dan konijnen te vermenigvuldigen, wat tot gevolg heeft dat de spoeling veel te dun wordt.

Tientallen taxi's drommen bij de stoep samen om klanten op te pikken. Het is een auto-jungle waarin de sterkste overleeft. Of de slimste. Nederlandse chauffeurs lijken er geen zin meer in te hebben, je ziet er vooral chauffeurs van Noord-Afrikaanse afkomst. De klanten bezien de situatie met de nodige bevreemding. Ai, Amsterdam, hoor je ze denken.

Er stond nu een grote, Marokkaanse jongen in een lang, wit T-shirt naast zijn auto. Hij was razend. Steeds weer wees hij naar de auto van een collega die zojuist had proberen voor te dringen. Het was deze collega nog niet helemaal gelukt, hij had de neus van zijn auto een beetje halfslachtig in de rij geboord.

,,Ik maak je af'', riep de jongen, ,,ik maak je helemaal af.''

Zijn Nederlands klonk goed, wat dat betreft was de inburgering volledig geslaagd. Enkele chauffeurs probeerden de jongen tot bedaren te brengen, maar hij had voorlopig andere plannen. Hij liep naar de achterbak van de auto en opende deze. Ai, Amsterdam, hoorde ik nu ook mezelf mompelen. Doodslag op klaarlichte dag voor het station, hoe goed is dat voor de promotie van de stad?

Maar de jongen bedacht zich, misschien wel uit medelijden met de burgemeester. Terwijl zijn collega's op hem inpraatten, gooide hij de bak weer dicht. Zijn concurrent was inmiddels uit zijn taxi geklommen en liep op het groepje af. Het was een kleine Marokkaanse man in een donker pak. Hij maakte een sympathieke, rustige indruk. De jongen schreeuwde nog enkele ernstige verwensingen naar hem, maar de man bleef doodkalm. Hij praatte rustig terug, zonder een stap achteruit te doen. Zo gaf hij ons allemaal een gaaf lesje agressiebestrijding.

De jongen kalmeerde en de mannen zochten hun auto's op, waarbij de kleine man wel zo verstandig was te retireren. De taxichaos bij de stoep begon weer beheersbaar te worden.

Maar waar was onze muzikant gebleven?