Vastgoedondernemers maken en breken de LPF

De LPF is sinds haar oprichting financieel zeer afhankelijk van leningen en donaties uit de vastgoedsector. Nu staat de partij daardoor aan de rand van een faillissement.

Leningen en giften uit de vastgoedwereld waren sinds de oprichting van de LPF de peilers waar de partij in belangrijke mate financieel op steunde. De partij heeft daar nooit een geheim van gemaakt. Pim Fortuyn zelf organiseerde na zijn vertrek bij Leefbaar Nederland begin 2002 dineetjes met meerdere vastgoedhandelaren om zijn nieuwe partij van de grond te tillen, zogeheten `beggars banquets'. Dat leverde de nodige geldstromen op van vastgoedhandelaren als Chris Thunnessen van Metterwoon Vastgoed BV en projectontwikkelaar Jos van Erk. Vastgoedmagnaat Ed Maas stak ruim 50.000 euro in de LPF en saneerde als partijvoorzitter de schuld van ruim 350.000 euro die in de zomer 2002 in de boeken stond.

Uit de jaarrekening over 2002 bleek al dat verschillende vastgoedhandelaren in dat jaar opnieuw substantiële leningen hadden verstrekt. Maas en Thunnessen hadden elk de partij een krediet van 300.000 euro gegeven. Ook vorig jaar bleven ze de partij financieel ondersteunen. Zo verstrekte Metterwoon Vastgoed BV in mei 2003 een lening van 800.000 euro aan de LPF, tegen een rentepercentage van 2,5 procent. Die lening was nodig om acute liquiditeitsproblemen te voorkomen, zo blijkt uit de Akte van Geldlening die op 15 mei 2003 werd ondertekend.

Juist die laatste geldlening vormde paradoxaal de opmaat van de financiële ondergang van de LPF. Dat blijkt niet alleen uit vertrouwelijke correspondentie tussen het LPF-bestuur en Metterwoon/Thunnessen. Ook Deloitte & Touche, het accountantskantoor dat de jaarrekening 2003 controleerde, waarschuwde in haar rapportage voor deze vorm van financiering: de continuïteit van de LPF liep gevaar vanwege de `direct opeisbare schulden' die de partij was aangegaan.

Dat was intern bij de partij inmiddels ook bekend. Acht maanden na het akkoord over de lening eiste Thunnessen het geleende bedrag terug en stuurde op 8 januari 2004 de deurwaarder. De partij was in gebreke gebleven met de ,,behoorlijke betaling van verschuldigde renten en de aflossing van de lening.'' Het geleende bedrag moest binnen zeven dagen teruggestort worden.

Het partijbestuur reageerde verongelijkt op de sommatie en beriep zich op mondelinge afspraken die in mei waren gemaakt. Afspraken over onder meer het kwijtschelden van verschuldigde rente en stilzwijgende verlenging van de lening zelf. De lening zou jaarlijks worden verlengd om Metterwoon in de gelegenheid te stellen in een later stadium de lening af te schrijven, zo schreef het LPF-hoofdbestuur op 24 december 2003 aan Thunnessen. ,,Dat die afspraken niet zo in de overeenkomst werden vastgelegd, ligt voor de hand.''

Thunnessen eiste de lening terug omdat de partij weigerde zijn voorwaarden in te willigen. In ruil voor de leningen wilde de vastgoedmagnaat invloed op de partij, zo blijkt uit de correspondentie. In een brief van het partijbestuur van 19 november 2003 kreeg Thunnessen het verwijt van `ontoelaatbare inmenging met bestuurlijke aangelegenheden'. Zo moest het partijbestuur van Thunessen met onmiddellijke ingang opstappen en had de ondernemer een namenlijst van kandidaten die in een nieuw te vormen bestuur moesten worden opgenomen.

Onmogelijk, reageerde het bestuur. ,,Wij kunnen financiële ondersteuning niet belonen met zeggenschap in het bestuur van de vereniging.'' In een brief van 24 december dreigt het bestuur om door middel van getuigenverklaringen voor de rechter het bewijs van die mondelinge afspraken te regelen en zo de voorzetting van de lening veilig te stellen. ,,Dat zou ongetwijfeld bekend worden en zowel uw vennootschap als onze vereniging veel schade berokkenen.''

Een paar maanden later, 21 april 2004, wordt de beschuldiging van `onaanvaardbare invloed op de vereniging' herhaald. Toenmalig partijvoorzitter T. Van Dillen dreigt dan met een surseance van betaling om onder de financiële verplichting uit te komen. ,,Een door de rechtbank te benoemen bewindvoerder moet dan het werk van Pim Fortuyn afmaken middels liquidatie van onze vereniging. Op deze wijze schrijft u dan in ieder geval geschiedenis.''

Thunnessen reageert een dag later op die brief. Hij ontkent via zijn advocaat invloed te willen uitoefenen op de interne gang van zaken van de partij. Volgens Thunnessen had de LPF opnieuw om een lening van 75.000 euro bij hem gevraagd voor de financiering van de campagne voor de Europese verkiezingen. Toen had hij wel aangedrongen op de vorming van een bestuur dat het vertrouwen moest hebben van zowel de fractie als hemzelf. Om de schijn van beïnvloeding te vermijden, kondigde hij in die brief aan het deurwaardersexploot van januari in te trekken.

Op dat moment zijn de LPF en Thunnessen niet meer on speaking terms. De broer van Pim Fortuyn, Marten Fortuyn, treedt sinds eind vorig jaar op als zijn woordvoerder. ,,Thunnessen wilde niet meer praten met de LPF of de pers'', zegt Mart Fortuyn achteraf. Dat Thunnessen invloed wilde, ontkent hij. ,,Maar hij wilde wel inzage in de financiële administratie. Tot op de dag van vandaag is die inzage niet gegeven.''

De ingediende faillissementsaanvraag van de LPF, vorige week, had een oplossing moeten bieden voor de schuldenproblematiek van de partij. Omdat die aanvraag is afgewezen door de rechter, hangen de leningen, die aan het eind van het jaar direct opeisbaar zijn, als een molensteen om de nek van de LPF. Woordvoerders van zowel Maas als Thunnessen laten weten dat ze de gang van zaken afwachten voordat daarover besloten wordt. Advocaat Hammerstein namens Maas: ,,Maar het is duidelijk dat hij zijn centen terugkrijgt.''