Stilte over drama van Cheju voorbij

Tot voor kort zweeg Zuid-Korea over de opstand op het eiland Cheju in 1948. Maar het land onderzoekt zijn geschiedenis. Gebeurtenissen uit het naoorlogse verleden krijgen ineens een andere betekenis.

Het Zuid-Koreaanse eiland Cheju herschrijft zijn geschiedenis. Al zou je dat niet zeggen wanneer je hier als toerist komt. Cheju is bekend om zijn natuurschoon en verse schaaldieren. Overal zijn uitgedoofde kraters; de dode vulkaan Halla torent boven alles uit. De golfslag op het stollingsgesteente geeft het eiland een magnifieke, grillige kustlijn. Vrouwelijke duikers speuren zonder hulpmiddelen als zuurstofflessen tussen de rotsen onder de zeespiegel naar grote zeeoor en zeekomkommer. Voor een habbekrats bereiden ze in de vissershavens een lunch van rauwe schaaldieren met zeewier.

Jarenlang mocht niet worden gesproken over het drama van Cheju. Maar onder invloed van de voortschrijdende democratisering krijgt Zuid-Korea de laatste jaren steeds meer belangstelling voor het eigen verleden – waar met een nieuwe blik naar wordt gekeken. Cheju speelt daarin een belangrijke rol. Tussen 1947 en 1954 voerde het eigen, Zuid-Koreaanse leger een oorlog tegen de lokale bevolking. Tienduizenden mensen – schattingen variëren van vijftienduizend tot veertigduizend – werden gedood, de meeste dorpen platgebrand.

Het valt niet mee om iets van dit drama terug te vinden. Bij het dorpje Mosulpo in het zuidwesten van het eiland ligt tussen de aardappelvelden een onopvallende begraafplaats met ruim honderd met gras begroeide grafheuveltjes, keurig in rijen. Een halve eeuw lang is er gezwegen over het lot van de mannen, vrouwen en kinderen die hier begraven liggen. Brokken steen, die nu zorgvuldig in een glazen kist op de begraafplaats zijn geëxposeerd, herinneren aan dit verbod. Het zijn de brokstukken van het eerste monument dat door dorpelingen eind jaren vijftig voor hun geliefden werd opgericht. In 1961, toen het leger een staatsgreep pleegde, sloegen soldaten het monument aan gruzelementen.

Een jaar geleden zijn op de begraafplaats eindelijk een nieuw monument en een bord met uitleg over het lot van de 132 doden neergezet. In augustus 1950 – ten tijde van de burgeroorlog tussen Noord- en Zuid-Korea – werden ze opgepakt door het eigen leger. Nooit werd meer iets van hen vernomen. Zes jaar later werd op een oude militaire basis in de buurt een massagraf gevonden. ,,Het was onmogelijk om de overschotten te identificeren'', zegt professor Ko Chang-hoon van de Universiteit van Cheju tijdens een tocht langs historische plekken op het eiland. ,,Vandaar de naam die men deze begraafplaats heeft gegeven'', vervolgt hij. `Honderd voorouders, één afstammeling', staat op het monument. ,,De omgekomen dorpelingen in hun naamloze graven en de nabestaanden zijn één familie'', zegt Ko.

De `3 April Opstand', zoals die tegenwoordig in het schaarse onderzoek ernaar wordt genoemd, begon tijdens het Amerikaanse militaire bestuur over Zuid-Korea dat vooral het communisme wilde bestrijden. ,,De Amerikanen dachten dat Cheju een `Rood Eiland' was'', zegt professor Ko, ,,en gaven het Zuid-Koreaanse leger opdracht op te treden.'' In werkelijkheid bestond de bevolking volgens Ko uit ,,gewone mensen die in rust wilden leven''.

Deze `gewone mensen' werden na 1945 eerst geterroriseerd door een knokploeg van jonge, conservatieve vluchtelingen uit het communistische noorden van Korea. Zij werden daarbij gesteund door de lokale politie. In 1947 vielen de eerste doden toen de politie het vuur opende op demonstranten. Op 3 april 1948 kwam de bevolking in opstand. Politiebureaus werd aangevallen en een aantal agenten vermoord. Bemiddeling mislukte en de zaak escaleerde. De bevolking moest naar `beschermde dorpen' aan de kust. Wie dat niet deed was vogelvrij. Hele dorpen werden uitgemoord en platgebrand. Duizenden eilandbewoners vluchtten met vissersboten naar Japan, de koloniale overheerser waarvan ze juist waren bevrijd. Een ander deel reisde verder naar Noord-Korea.

In oktober vorig jaar bracht president Roh Moo-hyun, boerenzoon en voormalig mensenrechtenadvocaat, een bezoek aan Cheju. Roh is een kind van de democratische omwenteling van 1988, toen studenten en burgers een einde maakten aan decennia dictatuur. De staat had zich op Cheju schuldig gemaakt aan ,,gewelddadige onderdrukking van onschuldigen'', zei Roh in een toespraak op het eiland. ,,Als president wil ik de nabestaanden en de hele bevolking van Cheju excuus aanbieden voor de fouten die de staat in het verleden heeft gemaakt.'' Als teken van erkenning bouwt de overheid nu een Vredespark op een helling van de vulkaan Halla.

Het enige monument dat tot nu toe herinnert aan `3 April' is een kleine in 1998 gebouwde pagode in het centrum van de provinciehoofdstad, die ook Cheju heet. ,,Het was precies een halve eeuw na het begin van de opstand. Eilanders verzamelden rotsblokken uit elk dorp en bouwden daarvan een pagode'', zegt Yang Dong-heun, voorzitter van de actiegroep 3 April Island Solidarity in een koffiehuis bij de pagode. ,,Het is een oud gebruik om na een ramp een pagode te bouwen – in de hoop dat het nooit meer gebeurt'', vult Mun Ae-suk aan. Ze is net afgestudeerd en werkt als redactrice bij het blad Peace Island, geïnitieerd door professor Ko. Een oom van Mun kwam om bij de opstand, maar haar ouders spraken er nooit over. Ook op school werd gezwegen. ,,Toen ik in de jaren negentig ging studeren, hoorde ik van ouderejaars voor het eerst over de opstand'', zegt Mun.

De 60-jarige Lee Sung-chan, voorzitter van een organisatie van slachtoffers en nabestaanden, is blij met het excuus van president Roh. Maar hij wil meer. Tot drie jaar geleden kon hij het land niet uit, omdat hij geen paspoort kreeg van de overheid. De reden? Tijdens de opstand werd zijn vader gearresteerd en veroordeeld als communist. Veel eilanders zijn door de opstand lange tijd tot tweederangsburger gedegradeerd. De rechtszaak tegen zijn vader stelde niks voor, zegt Lee. Honderden mannen werden een schoolplein opgedreven waar een militaire rechter zat te wachten: `Jij zeven jaar, jij acht'. Lopendebandwerk. Lee zag zijn vader nooit terug. ,,In 1999 ontdekte ik in een rapport van het Amerikaanse leger dat mijn vader bij een bloedbad in de gevangenis was vermoord.'' Lee wil eerherstel voor zijn vader.

In Noord-Korea zijn de opstandelingen van Cheju altijd beschouwd als helden. ,,De opstand van de bevolking van Cheju was rechtmatig, want het weerspiegelde de wens van de Zuid-Koreanen om een verenigd, onafhankelijk land op te bouwen, vrij van buitenlandse dominantie'', schreef de Noord-Koreaanse krant Minju Choson, die de schuld gaf aan de ,,Amerikaanse imperialisten''. De krant voegde eraan toe: ,,De huidige toestand vraagt om intensivering van de strijd om Amerikaanse troepen uit Zuid-Korea weg te krijgen. Het Koreaanse volk zal een landelijke beweging maken van deze anti-Amerikaanse strijd voor onafhankelijkheid, en zal de Amerikanen laten betalen voor hun misdaden.''

Zo ver zal Zuid-Korea niet gaan, daarvoor heeft het de Amerikanen te hard nodig. Maar in Zuid-Korea willen activisten als Yang van de actiegroep 3 April Island Solidarity ook ,,een excuus van de VS''. En president Roh legde in zijn toespraak in oktober nadrukkelijk een verband tussen het verwerken van het verleden en de huidige confrontatie met Noord-Korea. De ,,lessen'' van Cheju moeten leiden tot het ,,opheffen van de polarisatie en opdeling'' van het Koreaanse schiereiland, aldus Roh, en het ,,openen van de weg naar vrede''.

Conservatieven in Zuid-Korea noemen de regering daarom ,,sympathisanten van Noord-Korea''. Maar hun positie is door het graven in het verleden verzwakt. Velen van hen worden geassocieerd met de naoorlogse jaren van repressie en met de collaboratie ten tijde van de Japanse bezetting. Ook dat laatste is een onderwerp waarnaar het historisch onderzoek langzamerhand op gang komt – in maart stemde het parlement in met een historische commissie die de Japanse collaboratie gaat onderzoeken.

,,We moeten gewoon stap voor stap onze geschiedenis herschrijven'', zegt professor Ko. Volgens hem is het zwart-wit denken over Noord-Korea grotendeels verdwenen. ,,We zijn één volk'', aldus Ko. ,,Jongeren in Zuid-Korea maken zich geen zorgen over Noord-Korea. Noord-Koreanen proberen wanhopig te overleven en hebben geen energie om nog een oorlog te voeren.'' De Zuid-Koreanen willen hun broeders in het noorden helpen met maar één doel: de hereniging van het hele land.