Marokko's trage mars

De Nederlandse Marokkanen en hun families die dezer dagen terugkeren van een zomervakantie in hun vroegere vaderland, hebben daar een ander land aangetroffen dan vanwaaruit ze ooit vertrokken. Deze zomer is het vijf jaar geleden dat koning Mohammed VI zijn vader Hassan opvolgde. Mohammed is verder gegaan op de weg van politieke en sociale vrijheden, door zijn vader aan het einde van zijn leven al ingeslagen. Politieke ballingen werden teruggehaald, de persvrijheid werd in belangrijke mate hersteld. De herziening van het islamitische familierecht betekent een stap vooruit voor de positie van de vrouw. De koning liet in een toespraak ter gelegenheid van de vijfde verjaardag van zijn troonsbestijging veelvuldig het woord democratie vallen. Toch is Marokko hier nog ver van verwijderd. Grondwettelijk heeft de vorst het laatste woord. Hij benoemt de regering en geeft de lijnen aan waarbinnen kabinet en parlement mogen opereren. Het paleis heeft de teugels gevierd, maar zit nog altijd op de bok. Verdergaande veranderingen zijn noodzakelijk.

Twee achtereenvolgende jaren van goede oogsten hebben het land een adempauze gegeven, maar genereren nog steeds onvoldoende economische groei om de bevolkingsaanwas bij te benen. Het toerisme, de hoop voor de toekomst, komt slechts aarzelend op gang. Zonder het geld dat de emigranten naar huis sturen en de omvangrijke hasj-export zou het land er aanzienlijk slechter voorstaan. Marokko bevindt zich daarbij in een proces van massale bevolkingstrek van het platteland naar de grote steden – met alle sociale problemen vandien. De sloppenwijken zijn een dankbaar terrein voor de werving van jonge terroristen, zo bewezen de aanslagen in Casablanca van twee jaar geleden. De islamitische partij PJD vaart wel op een breed gedeeld gevoel van onvrede. Door aanhoudende arrestaties probeert de Marokkaanse regering duidelijk te maken dat het haar ernst is met de bestrijding van de islamitische terreur. Tegelijk is er de bereidheid om de niet-gewelddadige islampartij politieke verantwoordelijkheid te geven, zolang die de rol van de koning respecteert.

Het gevaar van dit pragmatisme is dat de oorzaken van de onvrede onvoldoende worden onderkend. Het systeem van vriendjespolitiek en corruptie, bekend onder de term makhzen, verlamt een normaal overheidsfunctioneren. Het onvermogen om iets te doen aan de krotten en de ravage na de aardbeving in Al Hoceima is daarvan een in het oog springend voorbeeld. De economische machtsconcentratie rond het paleis, dat na overnames meer dan de helft van de beursfondsen beheerst, is geen stimulans voor buitenlandse investeerders. Sinds kort maken mensenrechtenorganisaties weer melding van martelingen in de gevangenissen. Anders dan vroeger geeft de regering dit nu toe en ze belooft plechtig beterschap. Het lijkt exemplarisch voor het huidige bewind: de wil tot verandering is aanwezig, maar de resultaten laten op zich wachten. Dat geldt in uiterste instantie ook voor de koning. Meer dan zijn vader ziet hij de noodzaak van democratische aanpassingen; hij mist evenwel diens ijzeren wilskracht. Een terugval kan Marokko zich niet veroorloven. Voor dit land aan de zuidgrens van Europa zijn democratisering en economische ontwikkeling de enige echte wapens tegen het gevaar van een radicale islam.