Lat lager? Loopje met het recht!

Als het openbaar ministerie brede steun vindt voor zijn plannen om vaker tv en internet te gebruiken voor opsporing, bestaat het gevaar dat het publiek het verschil uit het oog verliest tussen verdachte en dader, vindt Achmed Baaijens.

De berichtgeving in NRC Handelsblad dit weekeinde met als opening `Openbaar ministerie gaat vaker televisie en internet voor opsporing gebruiken', nodigt uit tot een nader strafrechtelijk commentaar.

Het Nederlandse publiek wordt al heel lang via de media ingeschakeld bij de opsporing door politie en justitie van verdachten. Dat gebeurt door een compositietekening, een herkenbare afbeelding of een videoprint te tonen met de vraag: `Wie kent of herkent deze persoon?' Het gaat hierbij om de hulp van het publiek bij de vaststelling van de identiteit van de verdachte. De belangrijkste rechtswaarborg hiervoor is dat de politie eerst op basis van concrete feiten en omstandigheden (artikel 27 Wetboek van strafvordering) een persoon kan aanmerken als een verdachte van een strafbaar feit.

Deze `enkelvoudige foto(video)confrontatie ter opsporing', zoals het in de juridische literatuur heet, is een speciale vorm van een opsporingsconfrontatie.

Daartegenover staat de bewijsconfrontatie, die met nóg meer rechtswaarborgen is omkleed. Hierbij gaat het om een confrontatie van direct betrokkenen bij een delict (bijvoorbeeld winkelpersoneel bij een overval) met meerdere personen, onder wie de verdachte (in persoon of op meerdere foto's te zien). De direct betrokkenen wordt gevraagd of ze de dader gemotiveerd kunnen aanwijzen.

Een betrouwbare confrontatie kan echter maar één keer plaatsvinden met een getuige. Er zal dus vooraf een keuze moeten worden gemaakt tussen de `vroege' inzet van de opsporingsconfrontatie in de media óf de latere bewijsconfrontatie op het politiebureau. Kennelijk verkiest het openbaar ministerie nu het eerste type confrontatie boven het tweede type.

Hoofdinspecteur van politie Adri van Amelsvoort heeft de spanning tussen beide typen als volgt verwoord in zijn Handleiding confrontaties: ,,Een bewijsconfrontatie [heeft eigenlijk] geen zin als de getuige het confrontatiesubject bij een opsporingsconfrontatie al heeft gezien. Hetzelfde geldt ook, als de getuige het confrontatiesubject ná het voorval heeft gezien in relatie met politie of justitie.''

Het gebruik van foto's of camerabeelden ter opsporing via de media heeft derhalve verregaande gevolgen voor een latere bewijsvoering bij de rechter. Het openbaar ministerie kan immers door de keuze van een vroege inzet van de media belangrijke bewijsgetuigen in het strafproces verspelen. Het heeft er op zijn minst genomen de schijn van dat het openbaar ministerie dit aspect niet goed heeft doordacht bij het lanceren van dit voorstel.

NRC Handelsblad signaleert voorts een toenadering tussen de media, politie en justitie in het kader van deze opsporingsberichtgeving. Deze toenadering lijkt met name te zijn ingegeven door het feit dat onder druk van het Nederlandse publiek de zaak snel moet worden opgelost bij gebreke waarvan het publiek dit zelf wel zal doen, al dan niet door eigenmachtig foto's van verdachten, vergezeld van waarschuwingen, in het openbaar te verspreiden.

Het overgrote deel van het Nederlandse publiek is zich kennelijk niet bewust van het juridisch belangrijke onderscheid tussen hulp bij het opsporen van een verdachte (de taak van de politie) en het bepalen door de rechter of de opgespoorde verdachte ook de dader is.

Enigszins eufemistisch meldt de hoofdofficier van justitie te Utrecht in het Zaterdags Bijvoegsel dat bij het gebruik van foto's en beelden bij de opsporing via de media ,,de lat wat lager'' gelegd moet worden. In het spoor van deze beeldspraak betekent dit dat het aanloopje van de hoogspringer dan ook korter kan zijn. Ik vraag me af of het toekijkende publiek wel zo hard zal applaudisseren als blijkt dat de rechter uiteindelijk tot vrijspraak komt.

Het is te hopen dat het hoogste orgaan van het openbaar ministerie, het college van procureursgeneraal, bereid is eerst een eindoordeel van de zittende magistratuur over de inzet van beelden in de media ter opsporing af te wachten, alvorens toe te geven aan de roep van het Nederlandse publiek. Daarvoor zijn ook de juridische leerstukken omtrent opsporings- versus bewijsconfrontaties te zeer met zorg opgebouwd. Niet wachten op een rechterlijk oordeel betekent dat al ,,een (aan)loopje met het recht'' door het openbaar ministerie wordt genomen een zeer onwenselijke situatie.

Mr.A.M.C.J. Baaijens is strafrechtadvocaat te Utrecht.