Van performance tot heropvoering

Al sinds de eerste manifestaties in de jaren zestig is de performancekunst het stiefkind van de kunsten. En terecht natuurlijk. Maar al te vaak zijn performances `net niet'. Net geen toneel, net geen kunst en meestal ook ben je er net niet bij, maar word je op tentoonstellingen wel lastig gevallen met de nogal narcistisch restproducten. Dan maar liever helemaal niet, inderdaad.

Hoewel er op deze manier al bijna veertig jaar op performances wordt afgegeven, blijkt het fenomeen verrassend hardnekkig. Reden genoeg voor Metropolis M om weer eens een themanummer aan deze kunstvorm te wijden, ook al omdat de aard van de performancekunst, zoals het blad signaleert, de afgelopen jaren nogal is veranderd. De manier waarop die verandering wordt behandeld zegt overigens veel over de nieuwe koers van het blad Metropolis M : die wordt steeds kritischer en onafhankelijker.

Zo werpt hoofdredacteur Domeniek Ruyters zich in zijn inleidende artikel niet meteen op als beschermheer van de `kwetsbare' performance, maar zet lekker stevig in: ,,In het domein van de kunsten waar de herhaling heer en meester is, doet de performance al sinds jaar en dag alsof zij als enige recht heeft op de authentieke ervaring. Live is levend en de rest van de kunst staat ingeblikt of op sterk water te verpieteren'' – voor de lezer genoeg om nieuwsgierig verder te gaan.

Terecht constateert Ruyters in zijn artikel dat het korte golfje (van een jaar of vijf tot tien geleden) van performance-kunstenaars die onder de vlag van `relational aesthetics' probeerden de buitenwereld te veranderen door hun publiek voetmassages te verschaffen of voor hen te koken alweer voorbij is. Daarvoor in de plaats is een nieuwe, kritischer houding ontstaan die vooral het besef uitdraagt dat zo'n schijnbaar `unieke' gebeurtenis niet zaligmakend hoeft te zijn.

De interessantste consequentie die daar uit voortvloeit is volgens Metropolis de opkomst van de zogenaamde `re-enactment'. Bij deze re-enactments `her-creëren' kunstenaars gebeurtenissen uit het verleden, om die gebeurtenissen zo op verschillende manieren in een ander daglicht te plaatsen. Zo kopieerde Felix Gmelin in 2002 de `estafette-demonstratie' die zijn vader en anderen in 1968 in Berlijn uitvoerden door een rode vlag door de stad te torsen. De Litouwse kunstenaar Arturas Raila kopieerde in 2003 een vreemd lichtverschijnsel (met rode, laserstraal-achtige bundels) dat hij in zijn jeugd aan de hemel had waargenomen, en Jeremy Deller liet in 2001 de zogenaamde Battle of Orgreave, een vermaarde schermutseling rond de Britse mijnwerkersstakingen in 1984 naspelen.

Maxine Kopsa heeft gelijk als ze in haar artikel opmerkt dat al deze `heropvoeringen' een breed scala aan ideeën en emoties oproepen. Het lijkt misschien simpel om een demonstratie of een gevecht na te spelen, maar de verschillen die automatisch optreden doen je toch met andere ogen naar zowel het origineel als de kopie kijken. Daarmee wordt het verleden `verlevendigd', terwijl er over het heden een waas van melancholie komt te liggen, waar ook een soort troost vanuit gaat. De troost van de herkenning is dat vermoedelijk, en tegelijk de relativering van de uniciteit van de gebeurtenis, een relativering die juist de performance-kunst heel goed kon gebruiken. Je zou er bijna nostalgisch van worden.

Metropolis M, nr. 4, augustus/september 2004. Prijs 9 euro,