Potige vrouwen in stoeipakjes

Vrouwenworstelen debuteert bij de Olympische Spelen in Athene. ,,Wij horen hier thuis en gaan niet meer weg.''

Het zijn van die dames die je als man, op zoek naar een vuurtje of de juiste tijd, op straat niet zomaar even aanspreekt. Je kijkt wel uit. Voor je het weet, lig je gestrekt op de grond. Of erger nog.

Het zijn dan ook gespierde en potige tantes, en beslist geen stoeipoezen, die vandaag in hun dat wel karakteristieke stoeipakken de mat van de Ano Liossia Olympic Hall betreden. Het zijn, zo wordt tijdens deze ochtendsessie al snel duidelijk, verbeten vrouwen die niet met zich laten spotten.

Zo lang hebben ze in de wachtkamer moeten zitten dat ze, nu de poorten naar het olympische walhalla zijn geopend, vastbesloten zijn te blijven. ,,Wij horen hier thuis en gaan niet meer weg'', klinkt het vastberaden in de mixed zone van de nieuwe hal, waar vrijdag het judotoernooi werd afgesloten.

Aan het woord is de hoofdcoach van de Amerikaanse vrouwenworstelploeg, Tricia Saunders. Zelf was ze jarenlang een meer dan verdienstelijke krijger op de mat. Maar een olympisch optreden was haar, bij gebrek aan erkenning, niet gegeven. Saunders (38) heeft zich inmiddels verzoend met haar noodlot en werpt zich nu op als ambassadrice van haar sport. Haar credo? ,,Vrouwen doen niet onder voor mannen.''

En waarom zouden vrouwen niet mogen worstelen? ,,Als er een sport is waarin je een penis nodig hebt om goud te winnen, moeten wij niet meedoen'', luidt het antwoord van een van Saunders' pupillen, Patricia Miranda.

Het heeft even geduurd, maar na jaren van lobbyen, hopen en smeken mag het vrouwenworstelen zich een olympische sport noemen. Uitgerekend op het moment dat de Spelen terugkeren naar hun geboorteplaats. Zondag stapten voor het eerst twee vrouwelijke worstelaars de tatami op, gisteren volgde de ontknoping van het toernooi, waar Japan twee van de vier gouden medailles opeiste.

Nederland deed ook nog een vermetele poging om in de Griekse hoofdstad één of meer deelneemsters aan het vertrek te krijgen. Vier internationaal onbeduidende judoka's kregen in een Utrechtse sportschool een stoomcursus worstelen, en hoopten vervolgens bij een van de twee kwalificatietoernooien, in Madrid en Tunis, een voetje tussen de deur te krijgen. Een kansloze exercitie, want vrouwenworstelen is alle vooroordelen ten spijt een volwassen sport. En dat niet alleen: het roept ook emoties op. Als een Japanse verliest van een Chinese is dat sowieso reden voor verhitte reacties. Beide Aziatische grootmachten kunnen elkaars bloed wel drinken. Zeker na de geruchtmakende (want omstreden) zege van de Japanse voetbalploeg, begin deze maand bij de strijd om de Azië Cup, ten koste van gastland China.

Maar als die Japanse ook nog eens luistert naar de naam Kyoko Hamaguchi, volksheldin uit Tokio, vlaggendraagster van de Japanse olympische equipe en regerend wereldkampioene in de klasse tot 72 kilogram, dan staat 's lands eer al helemaal op het spel.

Maar Hamaguchi verliest vandaag in de halve finales. Van een blok beton uit China, de latere winnares Xu Wang, nota bene. Op de tribunes kraait het oproer. Hamaguchi zou ernstig benadeeld zijn. Zes als ordebewakers vermomde kleerkasten moeten eraan te pas komen om de gemoederen in het Japanse supporterskamp tot bedaren te brengen. Aanstichter van het rumoer blijkt een bejaarde man met hoofdband, die vloekend en tierend zijn woede richt op de jurytafel: Hamaguchi senior.

Nee, denk niet dat vrouwenworstelen niets voorstelt en de vijftig deelneemsters, afkomstig uit 21 landen, slechts naar Athene gekomen zijn om olympische sfeer op te snuiven. Het is bittere ernst. Ze willen zich verkopen, en bewijzen dat ze al die jaren ten onrechte over het hoofd zijn gezien.

Ze zijn blij met hun entree, maar nog niet tevreden. Van een volledige gelijkstelling is immers nog geen sprake. Om de Spelen `beheersbaar' te houden, stond het Internationaal Olympisch Comité (IOC) slechts de vrije stijl (en niet het klassieke Grieks-Romeinse gevecht) toe voor vrouwen. Met bovendien de restrictie van vier in plaats van de gebruikelijke zeven gewichtsklassen. Dat leidt in Athene tot bizarre taferelen: vrouwen uit verschillende gewichtsklassen die tegenover elkaar staan.

Dat was sowieso niet wat grondlegger Pierre de Coubertin voor ogen had, toen de Franse baron tegen het einde van de negentiende eeuw aan de wieg stond van de eerste moderne Olympische Spelen. De Grieken uit de oudheid hadden hem geleerd dat sport vooral een zaak van mannen was. Vrouwen waren slechts welkom om als klapvee plaats te nemen op de tribune.

Ruim honderd jaar later maken de erfopvolgers van De Coubertin, verzameld in het IOC, beetje bij beetje een einde aan dat onrecht. Waren het vier jaar geleden in Sydney de gewichthefsters en de waterpolosters die hun debuut mochten maken, ditmaal is het de beurt aan de vrouwen in de strakke pakken. Mede dankzij hen is langzaam maar zeker sprake van een evenwichtige opbouw van het totale olympische deelnemersveld (bijna 11.000 atleten): 56 procent mannen, 44 procent vrouwen.

Nu het laatste mannelijke bastion, het boksen, nog omver trekken en de emancipatie van de olympische beweging is voltooid.