Hoge koebellen in ode aan Mahler

Lawrence Renes, vooral bekend sinds hij in 1995 met succes de zieke Riccardo Chailly verving, was gisteravond terug in het Amsterdamse Concertgebouw met zijn Bremer Philharmoniker. Volgens Renes mochten de Bremer muzikanten blij zijn met hun kennismaking met de bijzondere akoestiek van het Concertgebouw, zo zei hij in interviews vooraf.

Het programma na de pauze was in ieder geval uitgekozen op de akoestiek: Eine Alpensinfonie van Strauss heeft Mahleriaanse dimensies, al duurt het korter dan een uur. Het in Mahlers sterfjaar 1911 begonnen stuk is ook een `In memoriam Gustav Mahler', een pastorale met een Beethoveniaans donderend onweer. Puur Mahleriaans en zeer theatraal waren het `Fernorchester' op de bovengang en de koebellen hoog naast het orgel, dat hier ook plechtig weerklinkt. De tocht naar de alpentoppen werd zo letterlijk geïllustreerd.

Eine Alpensinfonie houdt het midden tussen een `Tondichtung' en een symfonie. Even hybride van vorm is het romantische Celloconcert van Schumann: meer een lange, orkestraal begeleide cellosolo in plaats van een klassiek wedijveren tussen solist en orkest. Jammer dat het 19de eeuwse cellorepertoire zo beperkt is en bij Schumann slechts een afgevlakte versie van de 18de eeuwse Sturm und Drang klinkt. Quirine Viersen speelde zeer welluidend, donker sonoor op de lage c- en g-snaar, lyrisch licht op de g- en a-snaar. De begeleiding van klonk navenant keurig.

Lawrence Renes begon Eine Alpensinfonie, na het langzame mysterieuze Nacht en Lento, erg onstuimig. Hij leek met die hoge tempi de balans uit het oog te verliezen en weinig greep te hebben op de muzikale hoofdlijnen. Maar gaandeweg de tocht omhoog werd dat beter en het weidse uitzicht op de wit glinsterende bergtoppen klonk redelijk stralend, verstild en majestueus. On-Mahleriaans zijn daarna het onweer, het woeden van de hoge hemelen, en ook de tocht omlaag. Maar daar beneden op aarde, waar Gustav Mahler meestal van wegtrekt, klinkt bij Richard Strauss juist weer een hemelse sereniteit.

Topuitvoeringen van dit repertoire liggen bij typische `Strauss-orkesten', zoals die uit München en Wenen, meer voor de hand. Maar al ontbraken dat zuidelijke raffinement en de instrumentale perfectie, de Bremers en Renes kwam tot een alleszins acceptabele prestatie. Renes' dirigeertechniek is nog altijd te eenvoudig, er is te weinig onderscheid tussen maatslaande rechterhand en zijn linkerhand, die uitsluitend de expressie moet aangeven. Maar in de toegift, een deel uit Elgars Enigma-variaties, liet Renes het stokje liggen en klonk alles opeens intenser en veel vervoerender.

Concert: Bremer Philharmoniker o.l.v. Lawrence Renes m.m.v. Quirine Viersen, cello. Gehoord: 23/8 Concertgebouw Amsterdam.