Eeuwige roem

De meeste winnaars van de oude Olympische Spelen zijn na een kortstondige bekendheid de weg naar de anonimiteit gegaan. Een inscriptie op een zuil in hun geboortestad of een summiere vermelding door een oude geschiedschrijver is het enige dat aan hun successen herinnert. Slechts voor enkele olympische winnaars is het lot gunstiger geweest. Zij leven voort in de geschiedenisboeken, wegens hun prestaties, maar meer nog om de mythen die om hen werden geweven.

Milon uit Kroton spant de kroon. Dat hij tussen 540 en 512 voor Christus aan zeven Olympiaden deelnam en zes keer het onderdeel worstelen won, zou op zich al reden genoeg zijn om hem in herinnering te houden als een van de grootste atleten uit de oudheid. Maar hij ontsteeg de vergetelheid omdat in de verslaglegging van zijn prestaties feit en fictie, fantasie en verbeeldingskracht door elkaar lopen.

Over geen atleet zijn zoveel sterke verhalen in omloop gebracht als over Milon. Hij zou zijn grote kracht hebben ontleend aan een dagelijks dieet van twintig pond vlees, een zelfde hoeveelheid brood en achttien grote bekers wijn. Ooit zou hij na een overwinning in Olympia een rund op zijn schouders door het stadion hebben rondgedragen en het dier vervolgens in zijn eentje hebben opgepeuzeld. Herhaaldelijk leverde hij het bewijs van zijn ongeëvenaarde kracht. Wijd verbreid was de anekdote dat hij een om zijn hoofd gebonden koord deed knappen door alleen maar de aderen in zijn hoofd te spannen. Ook was hij in staat een granaatappel zo stevig in zijn hand te houden dat niemand die eruit kon wrikken. Nog opmerkelijker was dat de appel gaaf bleef.

Maar hij deed nog meer. Hij ging op een met olie ingesmeerde discus staan en daagde iedereen uit hem eraf te duwen. Niemand slaagde daarin. Een ander staaltje van zijn kracht was dat hij zijn rechterbovenarm stijf tegen zijn lichaam gekneld hield en zijn onderarm naar voren uitstrekte, met zijn vingers tegen elkaar. Alleen zijn duim stond omhoog. Hoe hard ze ook trokken en duwden, niemand kon de duim van zijn plaats krijgen.

Zijn levenseinde was minstens zo opvallend. Toen hij op zekere dag een dode boom trof met daarin wiggen waarmee spleten in de boom waren geslagen, stak hij zijn hand in de gaten om de boom verder te splijten. De wiggen vielen eruit, het hout trok samen en zijn handen kwamen klem te zitten. Hij kon geen kant op en werd door hongerige wolven verscheurd. Waarheid of verdichtsel? Het doet er niet zoveel toe, het was een einde dat paste bij zijn leven.