Een zaploze avond

Ik heb gisteren niet gezapt. Hoewel, als ik eerlijk ben, toch een paar keer. Maar in vergelijking met andere avonden mocht het geen naam hebben. Zappen is nog een betrekkelijk nieuw woord in onze taal. Toen we nog geen afstandsbediening hadden en ook het aantal zenders op onze buis beperkt was, bestond het begrip nog niet. Op een bepaalde manier heeft zappen een negatieve klank. Als we het over onze zapcultuur hebben is het niet positief bedoeld. Toch is dat gek. Want zappen heeft ons een heel nieuwe manier van kijken gebracht.

In mijn jeugd als geboortegolver leefde ik nog in een volgtijdelijke samenleving. Je deed de dingen na elkaar. Eerst het een dan het ander. En afmaken. Je mocht niet naar het speelkwartier als je rekenwerk niet af was. We leven nu in een simultane samenleving. We doen zoveel mogelijk dingen tegelijk. Je scheren, naar de ontbijttelevisie kijken, een calorierijke ontbijtdrank wegwerken en je voicemail afluisteren. In je pc heb je allerlei stukken staan die maar half af zijn en je werkt vaak op twee schermen tegelijk.

En ik ben ervan overtuigd dat de meeste mensen met de zapknop in de hand 's avonds zo'n vier programma's tegelijk bekijken. Als een voetbalwedstrijd even wat minder spannend is, kijk je ook nog even een stukje film, je pakt wat journaal mee, een interview in een actualiteitenrubriek om uiteindelijk weer bij die wedstrijd te belanden. En na afloop kun je redelijk vertellen waar het in die vier programma's over ging.

Vraag het aan leerpsychologen. Kinderen kijken door hun buis- en pc-gedrag tegenwoordig heel anders dan wij vroeger en slaan dingen ook anders op. Veel sneller, aan een paar referentiepunten hebben ze in onze beeldcultuur al genoeg om zaken een plek te geven. Zappen is dus helemaal niet iets negatiefs. Integendeel zelfs, zou ik durven beweren.

Op deze plek gaat het om de voor de hand liggende conclusie, dat we de zapknop alleen met rust laten als iets heel goed of spannend is. En dat was gisteren bij mij ook het geval. Ik heb me eindelijk volledig aan de Olympische Spelen overgegeven. Heerlijk, alleen sport. Van Anky van Grunsven tot Theo Bos, van exotische hink-stapspringers tot opgeblazen gewichtheffers. Ik heb het allemaal tot me genomen met de gulzigheid van een Holle Bolle Gijs.

Ooit, zo'n tien jaar geleden, was ik een van de presentatoren van Studio Sport. Al is er inmiddels veel veranderd, toch weet ik nog globaal hoe het er tijdens zo'n mega-evenement aan toe gaat. Ik besef daardoor dat er door al die medewerkers, van presentatoren tot kabelsjouwers, ook een olympische prestatie wordt geleverd. Er wordt vanuit andere journalistieke of culturele disciplines vaak neergekeken op de sportjongens en meisjes. Maar een samenvatting monteren terwijl de wedstrijd nog binnenloopt, is echt iets anders dan dagen achter de montagetafel zuchten en zweten om die ene mooie overgang te creëren. Ik geniet daarom dubbel van de soms prachtige filmpjes die te zien zijn tijdens Studio sportzomer, gemaakt door mensen als Kees Jongkind. Ook gisteravond weer. Sport vanuit een heel andere hoek bekeken. Met vaak de mens in zijn kwetsbaarheid als uitgangspunt. Velen bij Studio sport zouden dieper willen graven in allerlei achtergrondthema's. Maar met zo'n kleine bezetting en die druk is dat nauwelijks mogelijk.

En dan is er Mart. Mensen zijn voor of tegen hem. Dat zegt maar één ding, dat je een persoonlijkheid bent en geen grijze muis. Maar je snapt pas wat Smeets voor de televisiekijker is, als je hem wegdenkt. Ik ken op dit moment niemand die zijn plaats kan innemen.

Is Mart nog journalist? Zijn zijn vragen nog messcherp? Je hoort en leest die twijfels wel eens. Het zal me eigenlijk een rotzorg zijn. Mart steunt en zucht, lacht, zoent, drinkt, valt sporters om de nek. Het is pathetisch en theatraal, maar toch echt. Want Mart speelt geen rol. Hij heeft alles al gezien en gedaan. Maar elke keer vliegt hij er weer even gretig in als een jonge hond. En dan vergeet je de zapknop.