Marathonspreker

Theoloog en jurist, bestuurder en controleur, vormelijk en droog-humoristisch, trouw aan zijn gereformeerde wereld en haar organisaties maar daarover zonodig ook wel kritisch. Qua afkomst en opvattingen kind uit een politieke familie, een ARP'er tot in zijn kern, maar destijds, anders dan menig partijgenoot, zeer voor het samengaan met hervormden en rooms-katholieken in het CDA. De zaterdag overleden oud-minister en oud-parlementariër Isaac Arend Diepenhorst (88) was dat allemaal.

Een kleine, broos ogende, zwaarbebrilde man, die zijn landelijke bekendheid vele jaren vooral te danken had aan zijn met sonore stem gesproken ellenlange, soms archaïsch geformuleerde zinnen, waarin de Statenbijbel en het wetboek elkaar ontmoetten. Nog wat tussenzinnen hier, wat bijzinnen daar, een ingelaste omweg ertussen, compleet met fronsen en hand- en hoofdbewegingen ter verdere verduidelijking. De luisteraar was vaak alleen al geboeid door de vraag hoe en waar Diepenhorst het einde van zijn marathonzinnen zou halen. Dat einde haalde hij altijd en soms keek hij dan ook nog, voor de televisie bijvoorbeeld, alsof de luisteraar er voor deze keer vrij genadig afgekomen was.

Diepenhorsts loopbaan is indrukwekkend. Na een vroege promotie (`Historisch-critische bijdrage tot de leer van de christelijke staat', 1943) werd hij in 1945, 29 jaar oud, hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Vrije Universiteit, de schepping van de door hem bewonderde Abraham Kuyper. In 1965 werd hij minister van onderwijs, achtereenvolgens in het kabinet-Cals (1965-1966) en het kabinet-Zijlstra (1966-1967).

Na zijn ministerschap pakte hij zijn wetenschappelijke draad weer op, nu als hoogleraar algemene staatsleer (tot 1984), weer aan de VU, die hij ook twee periodes zou dienen als rector-magnificus. Diepenhorst, die ook geregeld preekbeurten verzorgde en op politieke bijeenkomsten heel vaak, en desnoods ongevraagd, het woord voerde, was lid van de Eerste Kamer van 1952 tot 1965 en van 1971 tot 1981. In de bezonken sfeer daar voelde hij zich naar eigen zeggen beter thuis dan in de Tweede Kamer, waarin hij van 1967 tot 1971 zat.

Maar dat was zeker niet alles. Diepenhorst was ook van 1969 tot 1986 voorzitter van de Onderwijsraad en van 1970 tot 1989 voorzitter Interkerkelijk Contact in Overheidszaken CIO. In die functies was hij, net als in zijn politieke leven, niet tegen onderwijsvernieuwing, wél tegen ,,vernieuwing om de vernieuwing''. Van demonstrerende studenten, een nieuw verschijnsel in de jaren zestig en zeventig, moest hij weinig hebben. Maar hun argumenten wilde hij graag horen, zei hij erbij.

Dat hij een vat vol tegenstrijdigheden kon zijn, liet Diepenhorst onder meer merken door, hoewel openlijk zeggend dat de Onderwijsraad ,,geen plek voor oude sokken'' was, daarvan maar met moeite afscheid te nemen toen hij zeventig jaar werd. Zijn afscheid van het hoogleraarschap, als 68-jarige, en van de senaat, waarvoor het CDA hem op zijn 65ste tot zijn verdriet niet meer kandideerde, viel hem ook zwaar.

De dood van Diepenhorst volgde twee weken op het overlijden van zijn jongere broer Arend Isaac. Diepenhorst was commandeur in de Orde van Oranje Nassau en in de Orde van de Nederlandse Leeuw.