Loonmatiging is helemaal nergens voor nodig

In plaats van te vervallen in oude reflexen moet het kabinet ervoor zorgen dat wie wil en kan werken, ook daadwerkelijk werk vindt, meent Ton Mulder. Ook voor verlenging van de werkweek zijn geen dwingende argumenten aan te voeren.

Wat hebben wij Nederlanders toch met loonmatiging? Zodra er maar een vermoeden van economische tegenwind bestaat, begint vrijwel iedereen (regering, werkgevers, niet de werknemers uiteraard) loonmatiging te bepleiten.

Dat er in de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog naar loonmatiging werd gestreefd, valt te begrijpen. In 1945 bedroeg het nationaal inkomen nog maar de helft van dat in 1940. En het nationaal inkomen in 1940 was al 10 procent lager dan dat in 1930. De crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw was niet onopgemerkt aan Nederland voorbijgegaan.

Dat zijn omstandigheden waarin ongebruikelijke maatregelen onvermijdelijk, waarschijnlijk zelfs aanbevelenswaardig zijn. De oplossing die gekozen werd, geleide loonpolitiek, was ongebruikelijk. De wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaringen van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, de wet waarover nu zoveel te doen is, dateert van 1938. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog is die wet nauwelijks effectief geweest. De Nederlandse arbeidsmarkt was in het interbellum (1919-1940) zeldzaam flexibel.

Noodzakelijk geachte prijs- of hoeveelheidsaanpassingen kenden nauwelijks tot geen institutionele belemmeringen. De overgang van die flexibele markt naar de geleide loonpolitiek was dan ook groot. Te groot, want de loonstijgingen in de jaren van geleide loonpolitiek, 1945 tot eind jaren zeventig van de vorige eeuw, bleken groter te zijn dan de door de regering gewenste.

Dat is ook niet verwonderlijk. Overheidsingrijpen in het prijsvormingsproces en vrije marktwerking verdragen zich nu eenmaal moeilijk met elkaar. Op dit moment stijgt de olieprijs bijzonder sterk. Dat kunnen wij heel vervelend vinden, maar tegelijkertijd geldt dat wij er niets tegen kunnen doen. Wij zouden er verstandiger aan gedaan hebben ons minder afhankelijk van olie-import te maken.

Aan het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw gold dat Nederland alle economische problemen van de voorgaande dertig jaar achter zich had gelaten. De werkloosheid bedroeg zo'n 1 procent en zou dat gedurende die jaren blijven bedragen.

Aan die gunstige economische ontwikkeling kwam eind jaren zeventig, begin jaren tachtig van de vorige eeuw een einde. In 1985 was de werkloosheid gestegen tot het voor Nederland ongekend hoge niveau van ruim 9 procent. De loonquote (de totale loonsom afgezet tegen het nationaal inkomen) bedroeg in dat jaar 0,52. Overigens heeft Nederland maar twee jaren, 1981 en 1982, een volumedaling van het binnenlands produkt gekend. En die volumedaling was ook nog eens uiterst bescheiden: 0,5 procent in 1981 en 1,3 procent in 1982.

Na 1985 is de situatie op de arbeidsmarkt, en in het verlengde daarvan de situatie ten aanzien van het nationaal inkomen, ononderbroken verbeterd. Ook nu nog, terwijl Nederland op de rand van de economische afgrond lijkt te bungelen (wat geenszins het geval is), ligt het werkloosheidspercentage in ons land ruim 4 procentpunt beneden dat in de overige eurolanden.

En al die jaren, vanaf 1985 tot en met 2002, bedroeg de loonquote in ons land 0,52. Dat plaatst pleidooien voor loonmatiging in een wat merkwaardig daglicht.

Er is ook helemaal geen noodzaak tot loonmatiging. Er is reden om te blijven doen wat wij al aan het doen zijn: trachten te bereiken dat mensen die kunnen werken ook daadwerkelijk werken.

Dan moet niet de werkweek verlengd worden. Ten eerste is er geen enkele economische noodzaak om de werkweek te verlengen. Ten tweede hebben Nederlandse werknemers er heel bewust voor gekozen om de werkweek terug te brengen van 48 uur toen, direct na de Tweede Wereldoorlog, tot 36 uur nu. Ten derde geldt: hoe korter de werkweek, hoe hoger de participatiegraad van mannen en vrouwen aan het arbeidsproces.

Er is één terrein waar de overheid loonmatiging kan bereiken. Dat is het terrein van de zelfstandige bestuursorganen. Waarom is toch het eerste dat daar verandert, zie nu weer het Havenbedrijf van de gemeente Rotterdam, het salaris van de directie?

Dr. A.M. Mulder doceert Macro-economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.