De Bruijn blijft de beste sprintster

Inge de Bruijn won zaterdag op de 50 meter vrije slag haar eerste zwemgoud bij de Spelen in Athene. ,,Een onbeschrijfelijk gevoel.''

In het bad waar dertien jaar geleden (EK 1991) haar zwemcarrière een aanvang nam, besloot het stralende boegbeeld van de Nederlandse ploeg zaterdag haar toernooi. Het was op de valreep, zoals wel vaker bij Inge de Bruijn. Maar toch: de morgen 31-jarige sprintster had het maar mooi weer geflikt. Net als Pieter van den Hoogenband en wielrenster Leontien van Moorsel had zij een olympische titel geprolongeerd. Het was ,,een moment waarop ik heb gewacht'' en ,,een onbeschrijfelijk gevoel.''

En zo sloot De Bruijn het olympisch toernooi opnieuw af in stijl. Op de 50 meter vrije slag, het kortste en meest explosieve zwemonderdeel, stond anders dan op de 100 vrij en de 100 vlinder geen maat op de in Athene oudste winnares bij het zwemmen. Ze leidde van start tot finish, en tikte aan na 24,58 seconde, vóór de Française Malia Metella (24,89) en de Australische Libby Lenton (24,91).

Na atlete Fanny Blankers-Koen (vier gouden medailles in Londen 1948) is de wispelturige zwemster Nederlands grootste sportvrouw uit de geschiedenis. Sinds zaterdag bestaat haar olympische collectie uit maar liefst acht medailles (vier goud, twee zilver, twee brons) en daarmee bezet De Bruijn de eerste plaats op `de eeuwige ranglijst van Nederlandse medaillewinnaars'.

Ook die wetenschap vervulde De Bruijn vanzelfsprekend met grote trots. Niet voor niets brak een gelukzalige glimlach door op haar gezicht toen `het historische nieuws' haar aan de hand werd gedaan. ,,Wat kan ik zeggen? Ook dat is prachtig.''

Maar de grote vraag na afloop was natuurlijk: hoe ziet de nabije toekomst van De Bruijn eruit? Blijft ze zwemmen? Maar voor antwoorden was het zaterdag te vroeg, beweerde de hoofdpersoon. Hoewel: ,,Ik wil nu nog geen uitspraken doen, maar ik stop zeker niet.''

Voor de Nederlandse teammanager René Dekker is de vraag geen vraag. Hij weet het antwoord al. ,,Heb je haar zien stralen op dat podium?'', luidde de retorische vraag van Dekker. ,,Daar doet Inge het allemaal voor.'' Nee hoor, Inge blijft voorlopig nog wel even zwemmen, wist de oud-bondscoach die het uitzonderlijke talent al kent sinds ze als zestienjarige haar debuut maakte in de nationale ploeg. En waarom ook niet, vroeg Dekker zich hardop af. ,,Ook op haar 35ste kan Inge nog goud winnen op de 50 vrij.''

Dit nummer vergt geen excessieve trainingsarbeid. Dat laatste kon De Bruijn sinds haar gouden trilogie in Sydney (2000) niet of nauwelijks (meer) opbrengen. Pas in het zicht van de finish, afgelopen najaar toen de klok vijf voor twaalf aangaf, keerde ze op dringend advies van haar tweelingzus Jakline terug onder de hoede van de compromisloze Paul Bergen.

De bedaagde zwemcoach uit Portland redde wat te redden viel, maar ook hij kon niet voorkomen dat De Bruijn in Athene haar ongeslagen status, stammend uit 1999, verloor. Toch was ook Bergen opgetogen – een klein wonder. Als iemand de afgelopen jaren geen geheim had gemaakt van zijn afkeer van `de incourante 50-meternummers', dan was het de Amerikaan wel. Maar goud was balsem op de ziel van zijn eerzuchtige pupil, en de bevestiging die zij zocht, wist Bergen.

Dat bleek, toen De Bruijn zaterdag de balans opmaakte. Op elk individueel nummer had ze een medaille gewonnen, keurig oplopend in kleur: brons (100 vlinder), zilver (100 vrij) en op de slotdag van het achtdaagse toernooi goud (50 vrij). Ze vertelde nog maar eens het bekende verhaal: ,,Het is makkelijker om kampioen te worden dan om kampioen te blijven.''

Maar het onaantastbare aureool ligt in duigen. De Bruijn weet het, maar die wetenschap had haar allerminst aan het twijfelen gebracht. Ze had niet voor niets zo hard getraind in de VS, met haar intrinsieke sprintsnelheid zat het (nog) wel goed. Zaterdag leverde ze het bewijs.

Velen hadden haar vooraf bovendien een hart onder de riem gestoken, en dat had de immer naar bevestiging hunkerende Inky goed gedaan. Trots: ,,Ik heb de laatste dagen heel veel faxen, e-mails en sms'jes ontvangen.'' Niet van de minsten, aldus De Bruijn: ,,Michael Johnson, Henri Leconte, Pierre van Hooijdonk en Humberto Tan.'' Van dat illustere viertal was de laatste, presentator bij Studio Sport, zaterdag de enige die aanwezig was in het stadion.

Donderdag, voorafgaand aan de finale van de 100 vrij, kwam ook een mindere kant van De Bruijn aan het licht. Dat althans beweerde de latere winnares Jodie Henry na afloop. `Ze probeerde me te intimideren', onthulde de twintigjarige Australische, 's lands eerste winnares van het koningsnummer sinds de legendarische Dawn Fraser (goud in 1956, '60 en '64), tegenover persbureau Reuters. `Ze bleef me aankijken en ik dacht: dit is triest.' Henry liet zich niet van de wijs brengen: `I wasn't going to let her bum me out.'

Mentale oorlogsvoering hoort bij topsport. De Bruijn, al ruim vijftien jaar actief op het hoogste niveau, weet dat als geen ander. Van Karin Brienesse, de Friezin die zich destijds bedreigd voelde door de brutale tiener uit Barendrecht, leerde ze de fijne kneepjes. Maar geconfronteerd met Henry's verkapte beschuldiging reageerde de routinier zaterdag als door een adder gebeten. Het was ,,een onzinverhaal'', hoe kwamen de media bij die lariekoek? ,,Ik ben juist hartstikke goed met die Australische meiden'', bitste De Bruijn. En, op bedrukte toon: ,,Dit verhaal is een smet op mijn medaille.''

Niettemin dook De Bruijn rond middernacht met een stralende glimlach in een warm en weldadig aanvoelend bad: de lallende oranjezee in het Holland House.