Bier

De metrostations in Athene – ook al houd je er niet van via roltrappen als een mol onder de grond te verdwijnen: doe het, want stuk voor stuk herbergen zij schatten uit de Oudheid die achter glas te bewonderen zijn. Al voor de Spelen waren ze kraakhelder, nergens graffiti te bekennen, geen agressieve zwartrijders – kortom een feest.

Dat feest wil je vieren.

Plotseling wordt het feest verstoord. Er klinkt gejoel, gebrul bijna. Grieken joelen niet, zij juichen – bij voorkeur in het stadion wanneer een landgenoot het olympisch erepodium betreedt. Zwitsers, er zijn nu veel Zwitsers in Athene, joelen ook niet. Ja, in het stadion, maar dat is normaal. Geen enkele fatsoenlijke reiziger die de metro neemt joelt en schreeuwt. Behalve Nederlanders, zo bleek gistermiddag om één uur plaatselijke tijd. Niets vermoedend kom ik metrostation Akropoli binnen en van ver onder de grond klinkt geschreeuw. ,,Vijf, vier, drie, twee één'', klinkt het. Je denkt: het zal niet waar zijn, mijn landgenoten zullen zich hier toch wel weten te gedragen? Niets is minder waar. Joelen, schreeuwen, gekleed in oranje T-shirts werken zij zich, al schreeuwend en zich langs mensen persend, via de roltrap naar boven. Een man op leeftijd, met om zijn pols een bandje waaruit blijkt dat hij het Holland Heineken Huis heeft gefrequenteerd, stinkt naar bier. Een Atheense mevrouw staat in de hal van het metrostation als aan de grond genageld. Ze kijkt, blijft kijken, schudt haar hoofd en loopt door.