Zwemploeg zakt voor Grieks examen

Met vanavond nog vier zwemfinales op het programma valt de balans op te maken van een voor Nederland matig verlopen olympisch toernooi.

Het Nederlandse zwemmen? ,,Een parkeerdek vol problemen.'' Aan het woord was teammanager René Dekker, anderhalve maand geleden tijdens het voorlaatste trainingskamp op weg naar `Athene'. De oud-bondscoach zei het met een glimlach, maar de serieuze ondertoon ontging niemand. Het bouwwerk mag van buiten dan solide ogen, achter de schermen woekert de betonrot en ontbreken een aantal verdiepingen (gedegen jeugdopleiding, krachtige verenigingen, semi-professionele trainers).

Dekker had aan de Italiaanse Bloemenrivièra meer fraais in petto voor de olympische selectie. Om zijn rentree kracht bij te zetten, hield hij in Loano een korte voordracht. Zijn provocerende vraag: hoe leer je een rups vliegen? Met andere woorden: wat moet een sporter doen en laten om uit te groeien tot een volwaardig topatleet? Het was na afloop naar verluidt doodstil in de kamer.

Doodstil houdt zich (voorlopig?) ook André Cats, de bondscoach die na een motie van wantrouwen uit het Eindhovense kamp op het allerlaatste moment het veld moest ruimen. De Fries mag in de communicatieve sfeer dan steken (hebben) laten vallen, hij heeft wel degelijk verfrissende ideeën over de noodzakelijke herstructurering van het Nederlandse topzwemmen én hij gaat mee met zijn tijd. Zijn innovatieve bijdragen, zoals het veelgeprezen race-analysesysteem, zijn waardevol gebleken.

Want dat het huidige topsportmodel op de schop moet, is na `Athene' wel duidelijk. Kwantitatief gaat het nog wel, met zes medailles (één goud, drie zilver, twee brons) in vergelijking tot de acht (5/1/2) van Sydney. Wellicht dat Inge de Bruijn de huidige score vandaag in de finale van de 50 vrij een nog draaglijker aanzien kan geven.

Maar, en die conclusie is onontkoombaar, in kwalitatieve zin is de ploeg gezakt voor het examen. Het zijn nog steeds de `oudjes', Van den Hoogenband (26) en De Bruijn (dinsdag 31), die het moeten doen. De rest weet, alle goede voornemens en harde, doordachte (?) trainingsarbeid ten spijt, niet aan te klampen. Triest dieptepunt: Thijs van Valkengoed. Aangemerkt als een groot talent, maar zowel op de 100 als op de 200 school waren de series opnieuw zijn eindstation.

Een ander talent, Marleen Veldhuis, won in mei nota bene nog drie medailles bij de EK in Madrid. Terwijl de oud-waterpoloster toen middenin een zwaar trainingsblok zat. In de Spaanse hoofdstad eindigde ze onder meer als tweede op de 100 vrij, in een bemoedigende 54,86. In Athene, drie maanden later en volledig uitgerust, sneuvelde ze woensdag in de halve finales in 55,32. Haar progressie stokt, en dat mag met name trainer-coach Fedor Hes zich aanrekenen.

Een ander heikel punt binnen de Nederlandse ploeg is het vermeende gebrek aan eenheid. Iedereen bewandelt zijn eigen weg, is intern een veelgehoorde jammerklacht. Maar is een kameraadschappelijke sfeer een voorwaarde voor succes? `Topsport begint bij jezelf', is het credo van boegbeeld Van den Hoogenband, en zo is het maar net.

In plaats van zich te spiegelen aan de arbeidsmoraal van VdH, krijgt de olympisch kampioen (100 vrij) met enige regelmaat het verwijt dat zijn trainer Jacco Verhaeren en hij solistisch bezig zouden zijn en geen oog hebben voor wat dan `teamsfeer' wordt genoemd. Alsof iemand ook maar eenhonderdste harder gaat zwemmen van een door coach Paul Bergen bedacht (maar afgelast) toneelstukje, twee dagen voor aanvang van het olympisch toernooi.

Belangrijker dan een `sfeerbevorderende verkleedpartij' is de constatering dat in de aanloop naar `Athene' verkeerde en/of halve keuzes zijn gemaakt. Overigens is Nederland daarin niet de enige. Duitsland, eens een grootmacht maar vier jaar geleden al de risée in het Sydney-bassin, dacht het tij gekeerd te hebben. Niets is minder waar. Opnieuw prijken slechts drie bronzen medailles op het lijstje van Teamchef Ralf Beckmann.

Amerika leidt traditiegetrouw de dans, met 25 medailles (11/7/7). Maar Team USA heeft ten opzichte van Nederland één groot en niet te onderschatten voordeel: het kan putten uit een onmetelijk groot arsenaal. Achter iedere zwemmer staat een andere klaar. Daar kan Nederland, waterland of niet, slechts van dromen. ,,Niemand jaagt onze toppers op, dus ontbreekt de prikkel jezelf constant te blijven verbeteren'', constateerde Verhaeren dit voorjaar al.

Op de langere nummers doet Nederland al niet eens meer mee, terwijl daar juist veel te `halen' valt. Zie de verrassende bronzen medaille van de Argentijnse Georgina Bardach op de 400 wissel. De middenlange- en de lange afstanden zijn `trainbare' nummers. Maar kom daar maar eens om in Nederland, het land waar het sprintvirus regeert.

Somber was zondag al de conclusie van Verhaeren, nota bene na het zilver op de 4x100 vrij: ,,Ik vind nog steeds dat een aantal jongens in de spiegel moet kijken. Zilver met de estafette is mooi, maar ze zouden er ook individueel kunnen én moeten staan. Dat moet de ambitie zijn.'' Oftewel: niet alleen meeliften op het succes (estafette) van en met Van den Hoogenband, maar zelf ambitie tonen en daar vervolgens inhoud aan geven. Dat is niet of in elk geval te weinig gebeurd.