Zwartrode bolletjes

VOOR HET EERST zijn alle alpenplanten in één flora beschreven. Niet in één boek, want er waren drie banden nodig om de bijna 4500 planten te beschrijven. Afzonderlijke alpenlanden hadden hun nationale flora's van bergplanten, maar na bijna 15 jaar vergaderen, gebiedsafbakeningen, subsidieperikelen, raadplegen van lokale plantenkenners en aanvullend veld- en herbariumonderzoek verscheen deze zomer de Flora Alpina. De Alpen strekken zich uit in een boog van bijna 1.000 kilometer, van de Zee-alpen die uit de Middellandse Zee oprijzen, over Zwitserland, Zuid-Duitsland, Noord-Italië, Oostenrijk en het noordelijke stukje van Slovenië.

De Alpen zijn door hun hoogteverschillen, vele grondsoorten en bodems en gevarieerde microklimaat de groeiplaats van ruim een derde van alle plantensoorten die in Europa voorkomen. De duizenden planten waren alleen in boekvorm onder te brengen door de informatie compact te houden. Van iedere plant zijn één of twee kenmerkende foto's opgenomen, consequent vier planten per pagina. Toelichtende tekeningetjes zijn alleen geplaatst als het voor het onderscheid van verschillende soorten beslist nodig is. De schematisch gehouden beschrijving van vindplaats, bloeitijd en -wijze, favoriete grondsoort (zuurgraad, mineralensamenstelling), groeihoogte, plantengemeenschap, grootte en enkele andere plantkenmerken neemt niet meer plaats in dan de foto, een kwart pagina. Eén van de drie boekdelen is uitsluitend register, met de plantennamen in het Latijn, Duits, Frans, Italiaans, Sloveens en Engels.

Drie botanici inventariseerden wat er (nog) in het alpengebied groeit. En beslisten over de systematiek en indeling. Ze kwamen op 4.491 soorten, ondergebracht in 933 geslachten en 148 families. Waar het soortenonderscheid te ingewikkeld en controversieel werd, brachten ze kandidaat-soorten onder in aggregaten. De paardebloem, vrouwenmantel en andere traditioneel moeilijke geslachten kregen die behandeling. 171 Soorten waarvan de aanwezigheid niet meer kon worden vastgesteld (maar die wel in oude herbaria of beschrijvingen zijn opgenomen) zijn nog kort behandeld. De terughoudendheid in het onderscheiden en opnemen van ondersoorten leidt dan bijvoorbeeld toch nog tot elf soorten van de vanilleorchis. Dat zijn nauwelijks als orchidee te herkennen kleine zwartrode bolletjes op de alpenweiden die de helling een heerlijke vanillegeur kunnen geven.

Zijn pracht dankt deze flora vooral aan de duizenden foto's. Die zijn voor ruim 95% het werk van één man, de nu 77-jarige chemicus dr. Konrad Lauber. Van 1959 tot 1992 was hij hoofd van het klinisch chemisch lab van de universiteit van Bern en docent aan de medische faculteit. Maar in zijn vrije tijd werkte hij gestaag aan een doel dat uiteindelijk onbereikbaar bleef: het fotograferen van álle alpenplanten. Sinds hij `im Ruhestand' staat, is hij vooral op berghellingen te vinden. Eind jaren negentig waren de botanici het eens over de op te nemen soorten. Er ontbraken nog 800 foto's. ``Toen begon een hectische vijf jaar durende fotojacht kris-kras door de Alpen. Niet iedere excursie was succesvol. Bloeitijd net voorbij, beschreven standplaats verstoord door mensen of door hagel, zomerse sneeuwval of droogte'', aldus Lauber in de inleiding.

Prof.dr. R. Spichiger, directeur van de Conservatoire et Jardin botaniques de la Ville de Genève, gebruikt zijn voorwoord om eens flink naar de moderne (moleculaire) biologie uit te halen. Hij verzucht in zijn voorwoord dat de bioloog steeds vaker in het lab en niet in het veld te vinden is. ``Punctuele experimenten met een snel wiskundig rekenmodel worden meer gewaardeerd dan een alomvattend, intuïtief, gedurende jaren verworven weten.'' Iedereen heeft het over biodiversiteit ``maar er worden geen mensen meer opgeleid die deze diversiteit in detail kunnen herkennen, meten en beschrijven. De veelsoortigheid is op lange termijn nauwelijks te behouden als niemand meer de afzonderlijke componenten herkent.'' Het bestuderen van de plantjes op de berghellingen wordt meer en meer het werk van amateurs.

david aeschimann, konrad lauber, daniel martin moser en jean-paul theurillat. flora alpina. 2004, haupt verlag, bern (duitstalige editie) isbn 3-258-06600-0. €190; franse editie: belin (parijs); italiaanse: zanichelli (bologna).