Wie leeft er nu eigenlijk in een waanwereld?

Er is veel kritiek in Nederland op de film van Michael Moore `Fahrenheit 9/11'. Maar die kritiek is verkeerd gericht en moet eigenlijk gaan over de gebrekkige nieuwsvoorziening in Amerika.

Er is iets merkwaardigs aan de hand, als we de reacties bekijken die Michael Moore's Fahrenheit 9/11 heeft opgeroepen in bepaalde delen van de Nederlandse en de Amerikaanse pers. Laten we eens naar enkele van die reacties in beide landen kijken. Daar is allereerst Geoffrey O'Brien in de New York Review of Books, die aan het eind van een lang betoog concludeert dat ,,Fahrenheit 9/11 werkt als een noodzakelijke herinnering aan het feit dat [...] we meer moeten zien en horen dan de regering en de verschillende nieuwskanalen ons toestaan te horen en zien. [...] We moeten die beelden zien die de Amerikaanse televisie ons onthoudt, alsof ze de realiteit van de oorlog daarmee op een afstand kan houden.''

In een column in de New York Times, toch evenmin een orgaan van onthechte radikalinski's, geeft Bob Herbert als zijn eindoordeel dat Fahrenheit 9/11 weliswaar een tendentieuze en niet vlekkeloze film is, maar een die ,,essentiële waarheden vertelt over leiders die een nationale tragedie exploiteren voor hun politieke winst, en over gewone Amerikanen die daar de prijs voor betalen.''

En vervolgens William Rivers Pitt, redacteur van het digitale ochtendblad www.truthout.org die onder de kop `Thank you Michael Moore' bericht hoe hij de film zag in een gezelschap van mensen die verwanten hadden verloren bij de aanslagen van 9/11 of in de oorlog in Irak en concludeert: ,,We the People zijn verraden door onze leiders en door de media die geprofiteerd hebben, en nog steeds profiteren, van de dagelijkse verkoop van leugens. Deze film hamert dit gruwelijke feit erin met de kracht van een moker, en dat doet pijn.''

Als je naar de reacties in enkele Nederlandse weekbladen kijkt, moet je wel denken: hebben deze mensen wel dezelfde film gezien? Flip Vuijsje vraagt zich, in het weekblad Vrij Nederland, af hoe het mogelijk is dat ,,een oud-links fossiel, en een ordinaire communist, want dat is wat Michael Moore in werkelijkheid is, er anno 2004 in slaagt om in brede kring serieus te worden genomen'' en conformeert zich vervolgens helemaal aan de denkwereld van George W. Bush waar hij wijst op ,,Michael Moore's blinde solidariteit met de krachten van het Kwaad in deze wereld''.

In een ander weekblad, HP/de Tijd, rekende Joost Niemöller onder de kop `Michaels Waanwereld' al even hardhandig af met de film. Hij noemt Moore ,,een wandelende leugen'' die de complexe werkelijkheid giet in ,,de strakkke mal van het socialisme'' en doet de in de film gepresenteerde feiten af als louter lariekoek, leugens en onzin. Een paar nummers van het weekblad later doet columnist Jan Kuitenbrouwer die argumentatie nog eens dunnetjes (nou ja, dunnetjes) over door van NRC Handelsblad een ,,ruimhartige rechtzetting (te) verwachten, prominent gebracht en van een vooraanstaand medewerker'' van de positieve meningen die in deze krant over de film werden verkondigd.

Ja, zeg, het zou toch wel al te dol worden als we er verschillende meningen op na gaan houden in dit land, lijkt Kuitenbrouwer te denken. Ik vraag me af of hij zo'n aanmaning ook gestuurd zal hebben naar de New York Times, The New York Review of Books en truthout.org.

De Nederlandse critici lijken voor hun Amerikaanse collega's in drie van de beste kranten die er in Amerika worden gemaakt dus een boodschap te hebben: jullie laten je allemaal bedonderen door die Moore, jullie trappen kritiekloos in zijn ,,leugens en propaganda''. Hoe kunnen jullie zo naïef zijn?

Ik wil hier maar heel kort ingaan op enkele van de betwiste issues in Moore's film (zie overigens voor diens onderbouwing van elk gepresenteerd feit in zijn film zijn website www.michaelmoore.com). Hoe je het ook wendt of keert, dat er nauwe zakelijke belangen bestonden en bestaan tussen de Bush- en de Saoed-dynastieën lijdt geen twijfel. Wie daarvan op welk moment heeft geprofiteerd is niet aan de orde, al moet toegegeven worden dat Moore vooralsnog wat ver gaat in zijn aan Craig Unger ontleende samenzweringstheorie.

Wat de al dan niet van hogerhand toegestane vlucht van de familie Bin Laden uit Amerika kort na 11 september betreft: ,,er werd op dat moment al weer wél gevlogen'', schrijft Vuijsje. Inderdaad: zoals de St. Petersburg Times uit Florida meldde, werd er inderdaad gevlogen en wel op 14 september 2001, toen het grootste deel vam het Amerikaanse luchtruim nog voor de burgerluchtvaart was gesloten, en een aantal Saoedische mannen, including a Saudi prince volgens de 9/11 onderzoekscommissie, vanaf het vliegveld van Tampa, Florida naar Lexington, Kentucky vloog. Daar vandaan verlieten ze het land. Of die laatste vlucht ook op de 13de of later plaatsvond wordt nog onderzocht. Maar waarom ontkende de regering bijna drie jaar lang dat de binnenlandse vlucht had plaatsgevonden als er nergens iets verdachts te vrezen zou zijn?

Maar waar de Nederlandse critici hun gebrek aan kennis werkelijk pijnlijk etaleren is wanneer het gaat over, in de woorden van Vrij Nederland, ,,dat simpelweg onjuiste verhaal dat George Bush zijn verkiezingsoverwinning in november 2000 door fraude heeft verkregen''. Dat HP/de Tijd de hertelling achteraf door enkele Amerikaanse nieuwsmedia wel noemt volgens welke Bush ,,de verkiezingen gewoon eerlijk gewonnen'' had, maar niet die van een ander consortium dat eveneens achteraf concludeerde dat juist Gore meer stemmen kreeg, is nog tot daar aan toe. Maar beide journalisten lijken nog steeds te denken dat de electorale fraude in Florida alleen te maken had met het al dan niet tellen van al dan niet geldig uitgebrachte stemmen. Het ware schandaal, zoals Moore aangeeft in zijn film, zit hem in het feit dat duizenden mensen in die staat op verkiezingsdag hun stem niet mochten uitbrengen, omdat ze op een zogenoemde scrub-list stonden die was opgesteld door mevrouw Katherine Harris, die de post van Secretary of State van die staat combineerde met die van vice-voorzitter van de Bush-campagne aldaar. Dat daarmee in meerderheid zwarte Amerikanen, en dus in meerderheid het electoraat van de Democratische partij, werd benadeeld, is een verhaal dat in de Amerikaanse pers nauwelijks aandacht kreeg. Pas begin deze zomer, toen het er naar uit begon te zien dat dezelfde aloude Jim Crow-tactieken van manipulatie en intimidatie bij de aanstaande verkiezingen opnieuw gebruikt zouden worden, is een deel van de Amerikaanse pers wakker geworden.

En daarmee kom ik op de werkelijke reden voor het verschil in de appreciatie van Moore's film in deze voorheen kritische Nederlandse weekbladen en genoemde Amerikaanse media. Het verschil zit hem in het feit dat de Nederlandse critici uitgaan van een situatie waarin alle Amerikanen vrij toegang zouden hebben tot, en gebruikmaken van informatie van allerlei soort en kleur en voldoende geïnformeerd zouden zijn om al die informatie, ook die van Michael Moore, op hun waarheidsgehalte te beoordelen. Zo'n uitgangspunt negeert het feit dat de Amerikaanse media, de tv voorop, een ontwikkeling hebben doorgemaakt in de laatste paar decennia die niet minder dan rampzalig te noemen is. Wie bij Amerikaanse nieuws-tv denkt aan de internationale editie van CNN die wij hier ontvangen, heeft geen idee van de mate waarin patriottisme en tromgeroffel de plaats van nieuwsvoorziening hebben ingenomen bij de tv-stations waaruit de Amerikaanse kijker kan kiezen. Ook op de radio, waar slechts een paar omroepen al meer dan de helft van alle stations in handen hebben. Het spectaculaire succes van Fox News (volgens Walter Cronkite ,,a far right wing organization'') heeft, op de golven van de zogenaamde oorlog tegen het terrorisme, de andere belangrijke stations verleid tot een wedloop in kritiekloze vaderlandsliefde die stuitende vormen heeft aangenomen. Het heeft allemaal niets meer met journalistiek te maken, alleen maar met de vraag: wie zwaait er de grootste vlag en kan daarmee hopen de hoogste kijkcijfers binnen te halen?

De concentratie van de media en de druk van de eigenaars om afwijkende opinies te weren of alleen maar belachelijk te maken, heeft geleid tot een enorme verschraling van het openbare debat in Amerika, juist op een moment dat het land dat het hardst nodig heeft. Dat debat speelt zich af in de marge: op de pagina's van de New York Review of Books, in het zondagse opiniekatern van de New York Times, in een blad als The nation (oplage: enkele duizenden) en helaas in steeds mindere mate ook op de publieke radio- en tv-zenders van NPR en PBS. Als dit debat aan de beide kusten en in enkele universiteitssteden daartussenin meer dan 5 procent van de bevolking bereikt, zou het me verbazen. Voor het overige is wat voor openbaar debat moet doorgaan het slecht geïnformeerde, vaandelzwaaiende, met obsceniteiten gelardeerde geschreeuw van twee doven die elkaar niet kunnen maar ook niet willen verstaan.

Het gevolg? Dat is dat nog steeds een groot deel van het Amerikaanse electoraat denkt dat het merendeel van de terroristen van 9/11 Irakezen waren; dat er duidelijke banden waren tussen Al-Qaeda en Saddam Hussein; en dat deze laatste op het punt stond hun land aan te vallen. En dat tezelfdertijd nog niet een op de vijf Amerikanen Irak op een landkaart kan aanwijzen, omdat de media niet geïnteresseerd zijn in informatie, noch in duiding en al helemaal niet als dit een buitenlandse kwestie betreft.

Moore's film mag inderdaad wat Leni Riefensthal-achtige trekjes hebben, zoals in de montage van zorgeloos spelende kindertjes en gezellige bruiloften met de ontzagwekkende kracht van inslaande mortieren. Maar die tendentieuze juxtapositie van beelden is al minder erg als je je realiseert dat het vermoedelijk de eerste keer is dat Amerikaanse kijkers zich realiseren dat er onschuldige burgerslachtoffers vielen en vallen in Irak – en niet enkele tientallen zoals een meerderheid van het volk lijkt te denken, maar al meer dan tienduizend.

Of Bush juist handelde of niet door minutenlang naar My Pet Goat te blijven luisteren nadat hij net had gehoord dat zijn land werd aangevallen, is niet van belang. Van belang is dat miljoenen Amerikanen in Moore's film voor het eerst een beeld zien dat strijdig is met dat van de koene, daadkrachtige leider, dat de media blijkbaar als hun plicht zien aan het volk te vertonen.

De werkelijke discussie zou dan ook niet moeten worden gevoerd over de vraag of Moore een goede documentairemaker is of niet, en of hij de Joris Ivens Award verdient; niet over de vraag wat zijn politieke achtergrond is, hoeveel miljoen hij verdient met zijn films en of hij nu al dan niet uit een arbeidersbuurt in Michigan komt. De werkelijke discussie gaat over de vraag wat een grotere bedreiging is voor de Amerikaanse democratie: Moore's film, of het veel bredere patroon van desinformatie en propaganda waaronder de televisiekijker dagelijks wordt bedolven. Door al deze excessieve aandacht te besteden aan mogelijke onzorgvuldigheden van Moore, suggereren de Nederlandse weekbladen het eerste. Wie dat gelooft verkeert, inderdaad, in een waanwereld. De journalisten die het als hun taak zien Moore kritisch te volgen alsof zijn werk in een vacuüm wordt gemaakt, hebben geen idee wat zijn film betekent voor het openbaar debat in de VS, dat zo ongeveer non-existent was totdat mensen in Duluth en Poughkeepsie, in Peoria en Chattanooga de bioscoop konden binnenlopen en naar Fahrenheit 9/11 konden kijken.

Dat dit debat alleen maar via een audiovisueel medium opgeroepen kon worden, en daarmee Fahrenheit 9/11 tot de meest succesvolle documentaire in de geschiedenis maakte, is overigens een fascinerend verschijnsel. Want ook in de gedrukte media wordt het aanbod van verschillende meningen steeds schraler, niet verwonderlijk in een land waarvan de president fier aankondigt allang geen kranten meer te lezen, omdat de informatie van zijn staf veel objectiever is.

Michael Moore is tenminste ondubbelzinnig in het formuleren van zijn motieven: het doel van zijn film is eraan mee te helpen dat Bush in november wordt verslagen.

Fox News van Rupert Murdoch wil niets liever dan dat juist Bush herkozen wordt, maar komt daar allerminst eerlijk voor uit. Het verkoopt zijn informatie onder een heel ander en werkelijk leugenachtig motto: wij berichten, u beslist.

Michael Moore mag dan als niet respectabel worden beschouwd door de Nederlandse weekbladen en een groot deel van het Amerikaanse publiek, zijn film kon alleen maar zo'n succes worden, omdat de respectabele media hun werk niet hebben gedaan. Moore heeft het publieke discours teruggebracht in Amerika, totaan het punt waar er niet alleen over wordt gepraat in de universiteitskantines van Berkeley en New York, maar ook in de ijssalons en de wasserettes en bij de barbecues in Wichita, Akron en Laramie.

Het lijkt me dan ook zinnig dit debat pas hier te lande voort te zetten als de weekbladen ook eens hun energie spenderen aan een onderzoek naar het waarheidsgehalte van een dag berichtgeving op, bijvoorbeeld, Fox News. Maar, zullen ze tegenwerpen, dat is irrelevant, want de film van Moore is hier in Nederland overal te zien, maar Fox News niet en dus is het daarmee geen onderwerp. En dat is dan precies wat ik bedoel.

Jan Donkers is medewerker van NRC Handelsblad. Zijn boek `De Tweede Amerikaanse Eeuw' verschijnt volgende maand bij uitgeverij Atlas.

Meer Michael Moore pagina 35