Vergeetachtig

In deze snelle wisseling van weersomstandigheden, zoals het door de vaklui van het weerbericht wordt genoemd, komen dagelijks tientallen mensen tot de ontdekking dat ze hun paraplu `ergens hebben laten staan'. Op dezelfde dag hebben evenveel mensen een paraplu gevonden. Dat gebeurt al zolang er paraplu's bestaan, het hoort tot de kleine raadsels van het leven. Het is zo gewoon dat niemand zich erin verdiept. Bovendien worden ook de deftigste paraplu's tegenwoordig in de landen van de goedkope arbeidskrachten gemaakt, zodat we ons hier het `ergens laten staan' kunnen veroorloven. Als het bij regen hard waait, gaan ze kapot. Als zwarte dode vogels liggen ze bij de vuilnisbakken. Net als de balpuntpen en de plastic aansteker nadert de paraplu tot onofficieel collectief eigendom. Het doet denken aan het Witte Fietsen Plan, een jaar of veertig geleden. `Een fiets is iets, maar bijna niets', zeiden de Provo's. In principe hadden ze gelijk. Maar collectief eigendom wordt niet bewerkstelligd door het uitvoeren van een plan. Het groeit vanzelf, door overproductie voor de vrije markt. Daarin wordt voor sommige artikelen een situatie bereikt waarin `verliezen' en `vinden' niet meer van toepassing zijn, omdat er een overvloed is.

Zover is het op het gebied van de paraplu nog niet. Op zeker ogenblik, altijd onverwacht, zie je in het openbaar vervoer, een openbare ruimte een onbeheerde paraplu. Dat is een vervreemdend schouwspel. Daar staat, hangt een voorwerp, dat door een ander is gebruikt, als een vertrouwde prothese; dat daardoor zijn eigen verleden heeft gekregen, de contouren van een zelfstandigheid die je intuïtief wel kunt voelen, maar waarvan de inhoud je volslagen onbekend is.

Wat gebeurt er dan? Je kijkt om je heen. Misschien is de eigenaar `even weg'. Maar er komt niemand. Je hebt dat ding ontdekt, en daarmee ben je eigenlijk al de vinder, belast met de zorg voor andermans eigendom. Daar heb je niet om gevraagd, het is een hinderlijke interruptie. Wat zijn de mogelijkheden? 1. De paraplu laten hangen, je handen wassen in onschuld, terwijl je er vrijwel zeker van bent dat iemand anders, evenmin de eigenaar, zich er definitief over zal ontfermen. 2. De conducteur, de ober roepen en zeggen dat daar een paraplu hangt die niet van jou is, waarmee je je van je taak hebt gekweten, hoewel je een vermoeden hebt dat er een kans is dat de eigenaar het ding nooit zal terugzien. 3. Nog een minuut of tien wachten, en als er dan nog niemand is komen opdagen, de paraplu meenemen om je na zekere tijd als de nieuwe eigenaar te beschouwen. Dit alles aangenomen dat je geen paraplu bij je hebt terwijl het intussen hard is gaan regenen. In je verhouding tot het gevonden voorwerp leer je jezelf kennen.

Dat is de ene kant van deze gebeurtenis. Het simultane drama speelt zich af in het hoofd van de eigenaar, of de voormalige eigenaar. Die komt tot de ontdekking dat hij iets mist. Dat is op een heel andere manier ook een eigenaardige ervaring. Als het opeens gaat regenen is het eenvoudig genoeg. Met een schok beseft hij: Paraplu laten staan! Waar? Een korte reconstructie brengt hem tot het antwoord. Misschien is het zo kort geleden dat hij het de moeite waard vindt terug te gaan. Maar dat ding is weg. Wat dan? Daar gaan we niet op in, omdat er te veel mogelijkheden zijn. We nemen aan dat hij het verlies aanvaardt, maar zichzelf afvraagt waardoor het mogelijk is dat hij zichzelf dit heeft laten overkomen. Waardoor?

1. Hij is vergeetachtig aangelegd, of dat in de loop van de jaren geworden. Dat kan gebeuren, je kunt je geheugen trainen op de vaardigheid van het onthouden, maar volgens mij geldt dat niet voor het behoud van je paraplu. 2. Zijn geest werd in beslag genomen door iets anders. In oude cartoons zie je professoren wie dat overkomt. Ze zoeken naar de bril die op hun neus staat, ze hebben twee brandende sigaren in de asbak, ze vergeten hun paraplu, enz.

In al die grappen zit een grond van onversneden waarheid. De geest wordt in beslag genomen, er is voor niets anders nog plaats. Het kan zijn dat daar het E=mc² op het punt staat te worden geboren, het geheim van de zwaartekracht opgehelderd, het wiel uitgevonden. In een ondeelbaar ogenblik zwelt de kiem van de gedachte tot de ontdekking waarvan het besef de hersenen vult, tot de laatste molecuul. Onder zulke omstandigheden laat men zijn paraplu staan.

Alles is betrekkelijk. Een paraplu is bijna niets. Het is ook niet noodzakelijk dat de geest door een historische vondst in beslag wordt genomen. Het gaat om de verhoudingen. Ik kocht een pakje sigaretten en terwijl ik betaalde, vroeg ik me af of lijn drie die daar voor de winkel stopt al in aantocht was, omdat ik in de buurt van de halte waar ik er weer uit moest een afspraak had die ik onzichtbaar in mijn hoofd aan het voorbereiden was. Met mijn linkeroor bij de geluiden op straat, met mijn ogen nog bij het gesprek in de winkel. Uit mijn mond kwam het tot ziens, terwijl mijn rechterhand het wisselgeld pakte. `Hoe vergeetachtig ben je?', vroeg Roy. Ik was al bijna bij de deur. Hij zwaaide met het pakje. `Volgende keer schrijf ik iets over vergeetachtigheid', zei ik. Bij deze. Nog juist haalde ik de tram.